Les 1_4.1 Wat zijn de bouwstenen van stoffen?

Deze les
  • 4.1 Wat zijn de bouwstenen van stoffen?
      - Herhaling klas 1
      - Herhaling Hfdst 3
      - Maken Extra Opgaven
  • Afsluiting
    1 / 41
    volgende
    Slide 1: Tekstslide
    ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

    In deze les zitten 41 slides, met tekstslides en 1 video.

    time-iconLesduur is: 50 min

    Onderdelen in deze les

    Deze les
    • 4.1 Wat zijn de bouwstenen van stoffen?
          - Herhaling klas 1
          - Herhaling Hfdst 3
          - Maken Extra Opgaven
    • Afsluiting

      Slide 1 - Tekstslide

      Klas 1: Stoffen en hun eigenschappen.
      Hoe noemen we de kleine deeltjes waaruit stoffen zijn opgebouwd?


      Slide 2 - Tekstslide

      Klas 1: Stoffen en hun eigenschappen.
      Hoe noemen we de kleine deeltjes waaruit stoffen zijn opgebouwd?
      Deze kleine deeltjes noemen we moleculen.

      Hiermee kunnen we verklaren dat stoffen een fase, een geur, een smelt- en kookpunt hebben of dat het een zuivere stof is of mengsel.


      Slide 3 - Tekstslide

      Slide 4 - Tekstslide

      Slide 5 - Tekstslide

      Klas 1: Stoffen en hun eigenschappen.
      Deze kleine deeltjes die nog alle eiegnschappen bevatten van die stoffen bestaan uit nog veel kleinere deeltjes?
      Hoe noemen we deze nog veel kleinere deeltjes?

      Deze kleine deeltjes noemen we atomen.


      Slide 6 - Tekstslide

      Hoofdstuk 3: Chemie in het groot
      Welke twee soorten chemische reacties hebben we tot nu toe behandeld?


      Slide 7 - Tekstslide

      Hoofdstuk 3: Chemie in het groot
      Welke twee soorten chemische reacties hebben we tot nu toe behandeld?

      1 = Ontledingsreacties
      2 = Vormingsreacties

      Slide 8 - Tekstslide

      Hoofdstuk 3: Chemie in het groot
      Hoe kun je aan het reactieschema zien dat het om een ontledingsreactie gaat? En bij een vormingsreactie?

      Slide 9 - Tekstslide

      Hoofdstuk 3: Chemie in het groot
      Hoe kun je aan het reactieschema zien dat het om een ontledingsreactie gaat? En bij een vormingsreactie?

      Ontleding: 1 beginstof
      Vorming:  1 reactieproduct

      Slide 10 - Tekstslide

      Hoofdstuk 3: Chemie in het groot
      Welke drie soorten ontledingsreacties zijn er?

      Slide 11 - Tekstslide

      Hoofdstuk 3: Chemie in het groot
      Welke drie soorten ontledingsreacties zijn er?

      1 = thermolyse: ontleding door middel van warmte 
      2 = elektrolyse: ontleding door middel van elektriciteit
      3 = fotolyse: ontleding door middel van licht

      Slide 12 - Tekstslide

      Hoofdstuk 3: Chemie in het groot
      Hoe noemen we het energie effect bij een vormingsreactie?
      En bij een ontledingsreactie?

      Slide 13 - Tekstslide

      Hoofdstuk 3: Chemie in het groot
      Hoe noemen we het energie effect bij een vormingsreactie?
      En bij een ontledingsreactie?

      vormingsreactie = exotherm (er komt energie vrij)
      ontledingsreactie = endotherm (je hebt energie nodig om de reactie op gang te houden)

      Slide 14 - Tekstslide

      Hoofdstuk 3: Chemie in het groot
      Waarmee kun je de volgende stoffen aantonen en wat neem je dan waar?
      waterstof = 
      zuurstof = 
      koolstofdioxide = 
      water = custard, wordt geel

      Slide 15 - Tekstslide

      Hoofdstuk 3: Chemie in het groot
      Waarmee kun je de volgende stoffen aantonen en wat neem je dan waar?
      waterstof = vuurtje, je hoort een blafje
      zuurstof = gloeiend voorwerp, gaat feller branden
      koolstofdioxide = kalkwater, wordt troebel
      water = custard, wordt geel

      Slide 16 - Tekstslide

      Voorbeeld 1
      IJzer en zwavel zijn twee niet-ontleedbare stoffen. Bij de reactie van deze twee vaste stoffen ontstaat een goudachtige vaste stof: pyriet. 
      Leg uit waarom hier inderdaad sprake is van een chemische reactie.

      Slide 17 - Tekstslide

      Voorbeeld 1
      IJzer en zwavel zijn twee niet-ontleedbare stoffen. Bij de reactie van deze twee vaste stoffen ontstaat een goudachtige stof: pyriet. 
      Leg uit waarom hier inderdaad sprake is van een chemische reactie.
      Er is hier sprake van een chemische reactie, want de beginstoffen verdwijnen en er ontstaan nieuwe stof.

      Slide 18 - Tekstslide

      Voorbeeld 2
      IJzer en zwavel zijn twee niet-ontleedbare stoffen. Bij de reactie van deze twee vaste stoffen ontstaat een goudachtige vaste stof: pyriet. 
      Geef het reactieschema in woorden van de reactie tussen ijzer en zwavel.

      Slide 19 - Tekstslide

      Voorbeeld 2
      IJzer en zwavel zijn twee niet-ontleedbare stoffen. Bij de reactie van deze twee vaste stoffen ontstaat een goudachtige vaste stof: pyriet. 
      Geef het reactieschema in woorden van de reactie tussen ijzer en zwavel.
      ijzer(vast) + zwavel(vast) --> pyriet(vast)

      Slide 20 - Tekstslide

      Voorbeeld 3
      Het smeltpunt van ijzer is 1811 K en het smeltpunt van pyriet is 2041 Kelvin
      Leg uit dat ijzer en pyriet zuivere stoffen zijn.

      Slide 21 - Tekstslide

      Voorbeeld 3
      Het smeltpunt van ijzer is 1811 K en het smeltpunt van pyriet is 2041 Kelvin
      Leg uit dat ijzer en pyriet zuivere stoffen zijn.

      IJzer en pyriet hebben een smeltpunt, dus het zijn zuivere stoffen.

      Slide 22 - Tekstslide

      Voorbeeld 4
      IJzer en zwavel zijn twee niet-ontleedbare stoffen. Bij de reactie van deze twee vaste stoffen ontstaat een goudachtige stof: pyriet. 
      Geef het reactieschema in symbolen van de reactie tussen ijzer en zwavel.

      Slide 23 - Tekstslide

      Voorbeeld 4
      IJzer en zwavel zijn twee niet-ontleedbare stoffen. Bij de reactie van deze twee vaste stoffen ontstaat een goudachtige vaste stof: pyriet. 
      Geef het reactieschema in symbolen van de reactie tussen ijzer en zwavel.
      Fe(s) + S(s) --> Fe,S(s)

      Slide 24 - Tekstslide

      Voorbeeld 5
      IJzer en zwavel zijn twee niet-ontleedbare stoffen. Bij de reactie van deze twee vaste stoffen ontstaat een goudachtige vaste stof: pyriet. 
      Leg uit of pyriet een ontleedbare of een niet ontleedbare stof is.

      Slide 25 - Tekstslide

      Voorbeeld 5
      IJzer en zwavel zijn twee niet-ontleedbare stoffen. Bij de reactie van deze twee vaste stoffen ontstaat een goudachtige vaste stof: pyriet. 
      Leg uit of pyriet een ontleedbare of een niet ontleedbare stof is.
      Pyriet is een ontleedbare stof, want het bestaat uit twee verschillende atoomsoorten.

      Slide 26 - Tekstslide

      Slide 27 - Tekstslide

      Het molecuulmodel

      Slide 28 - Tekstslide

      Het molecuulmodel

      Slide 29 - Tekstslide

      John Dalton
      Bij een chemische reactie verdwijnen de beginstoffen en ontstaan nieuwe stoffen.

      Om chemische reacties te verklaren moeten we het molecuulmodel verfijnen.

      Slide 30 - Tekstslide

      Verfijnen van het molecuulmodel

      Slide 31 - Tekstslide

      Atoommodellen door de jaren heen.

      Slide 32 - Tekstslide

      Slide 33 - Tekstslide

      Slide 34 - Video

      Slide 35 - Tekstslide

      Voorbeeld 
      De vaste stof lood reageert met het gas fluor. 
      Bij deze reactie ontstaat de vaste stof loodfluoride.
      Geef het reactieschema in symbolen (zie figuur 4.3 in je boek)
      Het reactieschema in woorden is: 
      lood(s) + fluor(g) --> loodfluoride(s)
      Het reactieschema in symbolen is: 

      Slide 36 - Tekstslide

      Voorbeeld 
      De vaste stof lood reageert met het gas fluor. 
      Bij deze reactie ontstaat de vaste stof loodfluoride.
      Geef het reactieschema in symbolen (zie figuur 4.3 in je boek)
      Het reactieschema in woorden is: 
      lood(s) + fluor(g) --> loodfluoride(s)
      Het reactieschema in symbolen is: 
      Pb (s) + F (g) --> Pb,F (s)

      Slide 37 - Tekstslide

      maken Extra Opgaven

      Slide 38 - Tekstslide

      Afsluiting
      • Wat heb je onthouden? 
      • Wat heb je geleerd?

      Slide 39 - Tekstslide

      Slide 40 - Tekstslide

      Huiswerk
      • Lezen DB 4.1
      • maken extra opgaven
      • maken opdr 1 t/m 11
      • leren symbolen figuur 4.3 
         

      Slide 41 - Tekstslide