§ 4.4. Globalisering

Hoofdstuk 4 - Ontwikkeling arm en rijk
Je hebt geleerd hoe het komt dat er zulke grote verschillen in welvaart bestaan.
Pak je boek er bij!
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 4 - Ontwikkeling arm en rijk
Je hebt geleerd hoe het komt dat er zulke grote verschillen in welvaart bestaan.
Pak je boek er bij!

Slide 1 - Tekstslide

Welzijn
Welvaart
Hoog BBP/hoofd
Naar school gaan
Voldoende voedsel kunnen kopen
Toegang tot zorg
Op vakantie kunnen
Een auto hebben

Slide 2 - Sleepvraag

Armoede
Dus, armoede is dat je niet kunt voldoen aan je 'basisbehoeften'.
Dat zijn alle dingen die een mens nodig heeft, om goed te kunnen leven.

Je leeft dan onder de armoedegrens, en deze verschilt per land. 
Wat heeft dat te maken met koopkracht?


Slide 3 - Tekstslide

Hoe ontwikkeld een land is, kun je vaak weten door te kijken naar de beroepsbevolking. Wat voor soort werk doen de mensen?
Centrum
Periferie
Semi-periferie
Tertiaire sector
Secundaire sector
Primaire sector

Slide 4 - Sleepvraag

Welk soort land, en waarom?

Slide 5 - Tekstslide

Welk begrip past het beste bij de stelling:

In het noorden van Nigeria kunnen veel mensen niet lezen en schrijven, waardoor zij een lager inkomen verdienen dan de beter opgeleide mensen in het zuiden van Nigeria.
A
Alfabetiseringsgraad
B
Sociale ongelijkheid
C
Regionale ongelijkheid
D
Informele sector

Slide 6 - Quizvraag

Er is in een land een scharreleconomie.
Is het echte bbp/hoofd dan hoger of lager dan de officiële cijfers?

Slide 7 - Open vraag

Slide 8 - Video

Globalisering verandert de wereld
Volken op de wereld raken steeds meer met elkaar verbonden, cultureel en economisch. Dat noem je globalisering.

Het zorgt ervoor dat de manier van produceren anders wordt en dat arme landen zich kunnen ontwikkelen. 

Slide 9 - Tekstslide

Als je weer eens in de supermarkt komt, let dan eens op waar de groenten en het fruit vandaan komen. Check meteen ook even waar je T-shirt en mobiel worden gemaakt.
Veel producten hebben al een wereldreis achter de rug voordat je het koopt. Dat geldt niet alleen voor goederen.

Slide 10 - Tekstslide

Met je smartphone blijf je altijd en overal op de hoogte van het laatste nieuws. Het gevolg is, dat de gebieden op aarde op tal van terreinen steeds meer met elkaar verbonden raken. Dat heet globalisering.

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Video

Globalisering

Slide 13 - Tekstslide

Oorzaken globalisering
Voor globalisering zijn drie ontwikkelingen verantwoordelijk:



1) Vanaf 1975 ontwikkelen steeds meer bedrijven zich tot een multinationale onderneming of mno. Dat zijn grote bedrijven die in meerdere landen fabrieken en kantoren hebben staan, bijvoorbeeld Philips of de ING-bank.

Slide 14 - Tekstslide

Oorzaken globalisering
Voor globalisering zijn drie ontwikkelingen verantwoordelijk:



2) Na 1990 stellen steeds meer landen hun grenzen open voor de wereldmarkt. Je hoeft dan niet meer extra te betalen om je goederen in een ander land in te voeren.
Open grenzen maakt het ook makkelijker om van het ene land naar het andere te migreren.

Slide 15 - Tekstslide

Oorzaken globalisering
Voor globalisering zijn drie ontwikkelingen verantwoordelijk:



3) De afstand tussen gebieden ‘krimpt’. Dat komt natuurlijk door het gebruik van computers met snelle internetverbindingen.
Maar vooral ook doordat het vervoer met (container)schepen en vliegtuigen steeds goedkoper en sneller wordt (bron 12).


Slide 16 - Tekstslide

Oorzaken globalisering
1. Vanaf 1975 ontwikkelen bedrijven zich tot bedrijven die zich overal ter wereld op meerdere plekken vestigen -> multinationale ondernemingen (mno).
2. De grenzen vanaf 1990 open voor de wereldmarkt. Hierdoor is handel gemakkelijker. Invoerbelastingen verdwijnen.
3. Afstand tussen gebieden verdwijnt (krimpen). Dit komt door onder andere het internet, vliegtuigen en schepen.

Slide 17 - Tekstslide

Noem voorbeelden van MNO

Slide 18 - Woordweb

Multinationale ondernemingen: MNO's.
Bedrijven met vestigingen in verschillende landen.

Productie van goederen, dienstverlening.

De keuze van vestiging MNO hangt af van: economische en politieke factoren.
Is het goedkoop? Kun je goed samenwerken met dat land op politiek gebied?

Slide 19 - Tekstslide

Globalisering

Internationale bedrijven (multinationals) spelen een hoofdrol.

Zo goedkoop mogelijk produceren!

Slide 20 - Tekstslide

Globalisering

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Globalisering

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

Door globalisering kiezen veel bedrijven nu ervoor om elk stukje van hun product op de best mogelijke plek te laten maken.
Grondstoffen komen dan uit de periferielanden.

Het in elkaar zetten van de halffabricaten gebeurd in landen waar mensen goedkoop willen werken. Arme landen ontwikkelen zich met deze nieuwe banen en industrie tot semi-periferieland. 

De marketing en het ontwerpen van een product gebeurd in een centrumland. Daar is men hoogopgeleid. 

Slide 25 - Tekstslide

Grondstoffen

Slide 26 - Open vraag

Door globalisering kiezen veel bedrijven nu ervoor om elk stukje van hun product op de best mogelijke plek te laten maken.
Grondstoffen komen dan uit de periferielanden.

Het in elkaar zetten van de halffabricaten gebeurd in landen waar mensen goedkoop willen werken. Arme landen ontwikkelen zich met deze nieuwe banen en industrie tot semi-periferieland. 

De marketing en het ontwerpen van een product gebeurd in een centrumland. Daar is men hoogopgeleid. 

Slide 27 - Tekstslide

Wat zijn grondstoffen?
A
aardolie, aardgas, hout en water
B
hout, water, aardolie en aluminium
C
benzine, aardgas, water en hout
D
zonne-energie, water, wind en aardgas

Slide 28 - Quizvraag

Grondstoffen en delfstoffen
Voorbeelden van delfstoffen zijn steenkool, aardolie en aardgas. Allemaal worden ze uit de bodem gehaald.

Slide 29 - Tekstslide

Grondstoffen en delfstoffen
In de bouw en industrie gebruiken wij materialen uit de natuur, zoals hout, steen en grind. Dat zijn grondstoffen.

Delfstoffen zijn grondstoffen die uit de bodem gehaald worden (delven = uitgraven).

Steenkool, Aardolie en Aardgas zijn voorbeelden van Delfstoffen.

Slide 30 - Tekstslide

Grond/delfstoffen
  • Grondstoffen kan je bewerken tot halffabricaten. Voorbeeld: kopererts > koperplaten > worden later muntgeld of standbeelden

Slide 31 - Tekstslide

Verschillende goederen
  • Grondstoffen:
  • Halffabricaten:
  • Eindproduct:

Slide 32 - Tekstslide

Halffabricaat
Een halffabricaat zijn onderdelen van het uiteindelijke eindproduct. 

Bijvoorbeeld: onderdelen van een computer of auto. 


Slide 33 - Tekstslide

Halffabricaat 

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Korte samenvatting: Wereldsysteem verandert door globalisering
  • Vroeger:
  • Periferie: levert/exporteert grondstoffen
  • Centrum: verwerking tot halffabricaten en eindproducten, afzetmarkt
  • Nu:
  • Periferie: levert/exporteert grondstoffen
  • Semiperiferie: verwerking tot halffabricaten en (laagwaardige) eindproducten
  • Centrum: Hoofdkantoren, R&D, hoogwaardige industrie en afzetmarkt

Slide 36 - Tekstslide

Wereldhandel
  • Grondstof: product dat direct van het land of uit de bodem wordt gehaald.
  •  Eindproduct: product dat klaar is om door de consument te worden gekocht.


Nederland koopt voornamelijk grondstoffen in en verkoopt eindproducten aan landen in de wereld!

Slide 37 - Tekstslide

Welk(e) van onderstaande producten is een eindproduct
A
Olie
B
Benzine
C
Rol stof
D
Meel

Slide 38 - Quizvraag

Grondstof
Halffabricant
Eindproduct
Periferie
Semi-Periferie
Centrum

Slide 39 - Sleepvraag

Drie soorten goederen
-> Grondstoffen: nog niet bewerkte goederen
-> Halffabricaten: bewerkte grondstoffen (zit tussen grondstof en eindproduct in)
-> Eindproducten: producten die gereed zijn en verkocht kunnen worden

Slide 40 - Tekstslide

Productieketens
Grondstof
Transport
Halffabrikaat
Eindproduct
Fabricage
Halffabricaat

Slide 41 - Sleepvraag

Sleep de afbeeldingen naar de juiste categorie.
Grondstoffen
Half
fabricaten
Eindproducten

Slide 42 - Sleepvraag

Beoordeel de volgende stellingen. Welk antwoord is juist?
I De productie van grondstoffen levert meer op dan de productie van eindproducten.
II De productie van halffabricaten levert meer op dan de productie van eindproducten.
A
I is juist II is onjuist
B
I is onjuist II is juist
C
beide zijn juist
D
beide zijn onjuist

Slide 43 - Quizvraag

Wij onderscheiden twee soorten industrieën:

Zware industrie: verwerking van (zware) grondstoffen, vaak maken ze halffabricaten (tussenproduct)

Lichte industrie: Verwerkt halffabricaten naar verkoopproducten.

Voorbeeld: telefoons

Slide 44 - Tekstslide

Huiswerk
Bekijk de filmpjes
En lees en maak § 4.4. opdr. 1 t/m 7

Slide 45 - Tekstslide

PO
Ga verder aan het po.
Samen gaan we hoofdstuk 1 maken

Slide 46 - Tekstslide