Quiz taalverzorging 2c 1-3-23

Taalverzorging
Taalverzorging
Taalverzorging
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, k, gLeerjaar 2

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 25 min

Onderdelen in deze les

Taalverzorging
Taalverzorging
Taalverzorging

Slide 1 - Tekstslide

Planning
1. Herhaling taalverzorging (H2 t/m H4): woordsoorten, verwijswoorden, verkleinwoorden, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en het voltooid deelwoord.


2. Aan de slag

Enquête invullen 

Slide 2 - Tekstslide

Pak je iPad
1. Pak je iPad

2. Ga naar LessonUp.app en voer
de code in.

Afspraak: het is stil wanneer ik aan het woord ben. 

Slide 3 - Tekstslide

Welke onderdelen hebben we behandeld in de lessen voor en na de vakantie? (taalverzorging)?

Slide 4 - Woordweb

Woordsoorten
WW
werkwoorden
zijn dingen die je kunt doen
LW
lidwoorden
de / het / een
ZNW
zelfstandige naamwoord
mensen, dieren, planten, dingen én namen!
BNW
bijvoegelijk naamwoord
zegt iets over het znw
VZ
voorzetsel
... de kast / ... het feest

Slide 5 - Tekstslide

Wat zijn zelfstandige naamwoorden?
A
de, het , een
B
slimme, mooie, rode
C
fiets, boek, volleybal
D
lopen, werken, denken

Slide 6 - Quizvraag



Gisteravond heb ik een film gekeken.
A
Werkwoord (ww)
B
Zelfstandig naamwoord (znw)
C
Bijvoeglijk naamwoord (bn)

Slide 7 - Quizvraag



Woordsoorten zijn lastig.
A
Werkwoord (ww)
B
Zelfstandig naamwoord (znw)
C
Bijvoeglijk naamwoord (bn)
D
Voorzetsel (vz)

Slide 8 - Quizvraag

Verwijswoorden 1
Kies het juiste verwijswoord:





mannelijk/vrouwelijk? Kijk in het woordenboek.
het-woorden (onzijdig)
het, zijn
dat, dit
de-woorden (mannelijk)
hij, hem, zijn
die, deze
de-woorden (vrouwelijk)
zij/ze, haar
die, deze
meervoud
zij/ze, hen, hun
die, deze

Slide 9 - Tekstslide

Verwijswoorden 2
Bezit:
  • Mijn (Dat zijn mijn schoenen)
  • Jouw (Ik heb jouw pen geleend)
Geen bezit:
  • Me
  • Jou
  • Mij
Gouden tip:
Vervang het verwijswoord door u/uw.

Slide 10 - Tekstslide

bedenk zelf een zin met het verwijswoord *hij*.

Slide 11 - Open vraag

Bedenk zelf een zin met het verwijswoord *jouw*.

Slide 12 - Open vraag

Verkleinwoorden
Verkleinwoorden
huisje
kaboutertje
duimpje

Slide 13 - Tekstslide

Noteer drie verschillende verkleinwoorden (je, tje, pje, kje)

Slide 14 - Open vraag

Verkleinwoorden
A
woningkje
B
woninkje
C
woningetje

Slide 15 - Quizvraag

Verkleinwoord.
Wat is het verkleinwoord van de kano?
A
kano'tje
B
kanotje
C
kanoo'tje
D
kanootje

Slide 16 - Quizvraag

lijdend voorwerp
Het lijdend voorwerp

Slide 17 - Tekstslide

Lijdend voorwerp
Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Jij kan het lijdend voorwerp in deze zin vinden.

A
jij
B
het lijdend voorwerp
C
in deze zin
D
kan vinden

Slide 18 - Quizvraag

Meewerkend voorwerp
Hoe haal je het meewerkend voorwerp uit de zin?

Slide 19 - Tekstslide

Vul van onderstaande zin het mv in.
William mailt zijn vakantiefoto’s aan zijn ouders.

Slide 20 - Open vraag

Vul van onderstaande zin het mv in.
Mijn broer heeft mij vanmiddag een broodje gezond gegeven.
A
Mijn broer
B
Heeft gegeven
C
Een broodje gezond
D
Mij

Slide 21 - Quizvraag

Voltooid deelwoord
- Het voltooid deelwoord is een werkwoordsvorm.
- Het voltooid deelwoord geeft aan dat iets is afgelopen 
   (voltooid).
- Het voltooid deelwoord is  niet de persoonsvorm. 
- In een zin met een voltooid deelwoord staat altijd een vorm 
   van hebben, worden of zijn.
- Het voltooid deelwoord begint vaak met ge-, be- of ver-.

Slide 22 - Tekstslide

Wat is het voltooid deelwoord?

Slide 23 - Open vraag

Wat is het voltooid deelwoord?

Slide 24 - Open vraag

Wat is het voltooid deelwoord van wandelen.

Slide 25 - Open vraag

Ik begrijp het....
😒🙁😐🙂😃

Slide 26 - Poll

Aan het werk
Maak H5 taalverzorging (bijwoordelijke bepaling, vergelijken) online.

Slide 27 - Tekstslide