H10 werkwoorden

H10 Zebra
werkwoorden
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
WoordenschatISK

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

H10 Zebra
werkwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Eerst even kletsen over de vakantie, daarna gaan we werkwoorden oefenen.

Slide 2 - Tekstslide

Hoe was jouw vakantie?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Schrijf een zin over wat iets wat je hebt gedaan in de vakantie.
(Je mag niet slapen zeggen.)

Slide 4 - Open vraag

Wat heb je gegeten in de vakantie?
Schrijf alleen het woord.

Slide 5 - Woordweb

In welke plaats of stad ben je
geweest in de vakantie?
Schrijf alleen de plaats of stad.

Slide 6 - Woordweb

Wat vind je ervan dat je vandaag weer op school bent?
😒🙁😐🙂😃

Slide 7 - Poll

Waarom vind je het leuk of waarom vind je het niet leuk?
Schrijf een zin.

Slide 8 - Open vraag

Hoeveel weken moeten we naar school voordat het kerstvakantie is?
010

Slide 9 - Poll

Goed gedaan!
Nu gaan we werkwoorden oefenen van hoofdstuk 10.

Slide 10 - Tekstslide

Ik kijk in de winkel welke trui ik mooi vind om te kopen.
A
uitgeven
B
uitzoeken
C
uitdoen
D
uitkiezen

Slide 11 - Quizvraag

Ik weet nog niet hoelaat de trein gaat, dus ik moet dat nu snel ..............
A
uitgeven
B
uitzoeken
C
uitdoen
D
uitkiezen

Slide 12 - Quizvraag

Ik had 10 euro, toen kocht ik met dat geld een nieuwe pet.
A
uitgeven
B
uitzoeken
C
uitdoen
D
uitkiezen

Slide 13 - Quizvraag

Vanochtend had ik een trui aan, nu heb ik de trui niet meer aan.
A
uitgeven
B
uitzoeken
C
uitdoen
D
uitkiezen

Slide 14 - Quizvraag

Verkopen (verleden tijd)
Ik .......... mijn fiets aan de buurman

Slide 15 - Open vraag

aandoen (verleden tijd)
Ik ....... mijn nieuwe broek ........

Slide 16 - Open vraag

verdienen (tegenwoordige tijd)
Jij .......... meer geld dan ik.

Slide 17 - Open vraag

bestellen (voltooide tijd)
Wij ............ een lekkere pizza ........

Slide 18 - Open vraag

kloppen (verleden tijd)
Gisteren ......... ik op de deur van mijn vriend.

Slide 19 - Open vraag

Wat is de voltooide tijd van regelen?
ik ...............

Slide 20 - Open vraag

Wat is de voltooide tijd van uitzoeken?
ik ............

Slide 21 - Open vraag

Wat is de verleden tijd van aandoen?
Wij ..........

Slide 22 - Open vraag

Wat is de verleden tijd van terugkomen?
Hij ......................

Slide 23 - Open vraag

Wat is de tegenwoordige tijd van klagen?
Hij .......

Slide 24 - Open vraag

Schrijf de zin in de verleden tijd:
Ik spaar voor een nieuwe fiets.

Slide 25 - Open vraag

Schrijf de zin in de voltooide tijd:
Ik doe mijn jas uit.

Slide 26 - Open vraag

Schrijf de zin in de voltooide tijd:
Wij ruilen onze boeken.

Slide 27 - Open vraag

Schrijf de zin in de verleden tijd:
Wij klagen over de regen.

Slide 28 - Open vraag

Schrijf de zin in de voltooide tijd:
Wij vergelijken deze broeken.

Slide 29 - Open vraag

Schrijf de zin in de verleden tijd:
Doe je een trui aan vandaag?

Slide 30 - Open vraag

Schrijf de zin in de voltooide tijd:
Kies je een broek uit?

Slide 31 - Open vraag

Schrijf de zin in de voltooide tijd:
Jij verdient 10 euro.

Slide 32 - Open vraag

Schrijf de zin in de voltooide tijd:
Hij klaagt tegen zijn docent.

Slide 33 - Open vraag