V5 Le gérondif, les verbes, les articles (theorie)

1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 28 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Toets data
11-01-2023 Grammatica toets 
Le gérondif
Les verbes
Les articles 
12-01-2023 Deadline Verwerkingsopdracht LPP (teams opdrachten)
25-01-2023 Meting Leesvaardigheid 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Au programme
K: Herhaling grammatica onderwerpen le gérondif & les articles & les verbes: devoir, atteindre, prendre & suivre
Z: Leren voor de toets

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Le participe passé 
Le participe passé heet in het Nederlands het tegenwoordig
deelwoord. Dit is een vorm van het werkwoord die bestaat uit de stam + -(e)nd(e). 

De hond stond bibberend van de kou in de tuin.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Le gérondif: 
- Bestaat uit het woordje 'en' + het tegenwoordig deelwoord (participe présent)
- In het Nederlands vertaal je de gérondif met een bijzin. 
- Het onderwerp dat bij de gérondif hoort, heeft hetzelfde onderwerp als in de hoofdzin. 
Je faisais mes devoirs en regardant la télé. 
Ik maakte mijn huiswerk, terwijl ik tv keek. 

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Le gérondif

- Le gérondif kan drie dingen aangeven:
1. Dat iets op hetzelfde moment gebeurde (terwijl)
2. Een voorwaarde (door)
3. De manier waarop je iets doet (door)

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bijvoorbeeld:
1.En faisant tes devoirs, tes notes s'amélioreront.
2. Je fais mes devoirs en écoutant de la musique.
3. Beaucoup de gens retrouvent le calme en faisant du yoga. 
-> In welke zin is het gérondif gebruikt voor een gelijktijdigheid, in welke een voorwaarde, en in welke een manier?

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bijvoorbeeld:
1.En faisant tes devoirs, tes notes s'amélioreront. Voorwaarde.
2. Je fais mes devoirs en écoutant de la musique.
Gelijktijdigheid
3. Beaucoup de gens retrouvent le calme en faisant du yoga. 
Manier

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe maak ik een gérondif?
Het tegenwoordig deelwoord (participe présent): 
1. Neem de nous-vorm van de présent (commençons);
2. Haal -ons eraf (commenç-);
3. Vervang -ons voor -ant (commençant).
Bijvoorbeeld: prendre - 1. prenons; 2. pren-; 3. prenant.

Zet hier het woordje 'en' voor, en je hebt de gérondif!

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Uitzonderingen
  • Être - en étant
  • Avoir - en ayant
  • Savoir - en sachant

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Probeer zelf eens het gérondif te vormen van:

  1. Lire
  2. Manger
  3. Prendre
  4. Écrire

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Probeer zelf eens het gérondif te vormen van:

  1. Lire - en lisant
  2. Manger - en mangeant
  3. Prendre - en prenant
  4. Écrire - en écrivant

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

En résumé:
  • De gérondif gebruik je om gelijktijdigheid, een manier waarop of een voorwaarde te benoemen.

  • Je maakt het gérondif door het woordje 'en' te gebruiken, gevolgd door het tegenwoordig deelwoord:
    nous-vorm van de présent zonder -ons, met -ant erachter

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Les verbes irréguliers
Présent: leer alle vormen uit je hoofd
Passé composé:  leer de je-vorm en je kunt alle vormen maken
Imparfait: leer de je-vorm en je kunt alle vormen maken
futur simple: leer de je-vorm en je kunt alle vormen maken
conditionnel: leer de je-vorm en je alle vormen maken 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Le verbe devoir (moeten)
Présent: je dois, tu dois, il doit, nous devons, vous devez, ils doivent
Passé composé: j'ai dû
Imparfait: je devais (nous vorm- ons + ais,ais,ait,ions,iez,aient)
futur simple: je devrai (devr + ai,as,a,ons,iez,ont)
conditionnel: je devrais (devr+ ais, ais,ait,ions,iez,aient) 

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Le verbe atteindre (bereiken)
Présent:j'atteins, tu atteins, il atteint, nous atteignons, vous atteignez, ils atteignent 
Passé composé: j'ai atteint
Imparfait: j'atteignais ( nous vorm- ons + ais,ais,ait,ions,iez,aient)
futur simple: j'atteindrai (atteindr + ai,as,a,ons,iez,ont)
conditionnel: j'atteindrais (atteindr+ ais, ais,ait,ions,iez,aient) 

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Le verbe prendre (nemen)
Présent: je prends, tu prends, il prend, nous prenons, vous prenez, ils prennent 
Passé composé: j'ai pris
Imparfait: je prenais ( nous vorm- ons + ais,ais,ait,ions,iez,aient)
futur simple: je prendrai (prendr + ai,as,a,ons,iez,ont)
conditionnel: je prendrais (prendr + ais, ais,ait,ions,iez,aient) 

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Le verbe suivre (volgen)
Présent: je suis, tu suis, il suit, nous suivons, vous suivez, ils suivent 
Passé composé: j'ai suivi
Imparfait: je suivais (nous vorm- ons + ais,ais,ait,ions,iez,aient)
futur simple: je suivrai (suivr + ai,as,a,ons,iez,ont)
conditionnel: je suivrais (suivr + ais, ais,ait,ions,iez,aient) 

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. L'article défini = bepaald lidwoord
  • La personne est en face de moi. 

  • C'est Paul et le chien.

  • Les enfants vont à l'école. 

=DE of HET in het Nederlands

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2. L'article indéfini= onbepaald lidw
  • J'ai un vélo rouge.

  • Il me donne une rose. 

  • Je mange des fruits.

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3. Masculin ou féminin?
Je weet niet altijd of een woord mannelijk of vrouwelijk is!
MANNELIJK
VROUWELIJK
mannelijke woorden  
eindigen op:

 -ment, -al, -eur, -on

un règlement, un journal, un vendeur, un ballon


vrouwelijke woorden eindigen op:

- té, -sion, -euse, -ette,
- ion

la beauté, la décision, la vedette, la caution

Slide 21 - Tekstslide

Als je vragen hebt, mag je mij altijd een berichtje sturen! 
L'article contracté = het samengetrokken lidwoord

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4. L'article contracté = samengetrokken lidwoord

Bij de voorzetsels 'à' en 'de' :


à + le = au
de + le = du
à + la = à la
de + la = de la
à + les = aux
de + les= des

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

L'article partitif= het delend lidwoord
Regarde la vidéo:

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5. L'article partitif= delend lidwoord
Je weet NIET hoeveel:




  • Je mange du pain (Ik eet brood)
  • J'achète de la nourriture (Ik koop eten)
  • Je bois de l'eau (Ik drink water)
WE VERTALEN DIT NIET IN HET NEDERLANDS!!
masculin
féminin
voyelle
singulier
du
de la
de l'
pluriel
des
des
des

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5. L'article partitif= delend lidwoord
Je hebt te maken met een hoeveelheidswoord:




  • Il boit assez d'eau (Hij drinkt genoeg water)
  • J'achète beaucoup de fruits (Ik koop veel fruit)
  • Je mange un peu de salade (Ik eet een beetje sla)

masculin/ féminin/ pluriel
voyelle
singulier
de
d'
pluriel
de
d'

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5. L'article partitif= delend lidwoord
Na een ONTKENNING veranderen onbepaalde (un,une of des) en delende lidwoorden (du, de la, de l' en des) in 
DE of D'

Je ne mange pas de viande (Ik eet geen vlees)
  • Moi, je ne mange plus d'asperges.  (Ik eet geen asperges  meer)
  • Behalve na être: Ce n'est pas de la viande. (Dat is geen vlees)

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Altijd le, la, l' of les 
Na de werkwoorden aimer, préférer, détester, adorer, supporter en haïr
gebruik je ALTIJD een bepaald lidwoord, óók na een ontkenning.

J'adore le chocolat (Ik ben dol op chocolade).
Fleur n'aime pas le vin. (Fleur houdt niet van wijn). 

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies