La classe du 2 juin

Le 2 juin
être =
Ken je het rijtje nog? 
Schrijf het eens op
Weet je waar je het kunt vinden/zoeken?

1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Le 2 juin
être =
Ken je het rijtje nog? 
Schrijf het eens op
Weet je waar je het kunt vinden/zoeken?

Slide 1 - Tekstslide

Verschil masculin - féminin
grand/grande - petit/petite

Le garçon est grand
La fille est grande
Mon père est content
Ma mère est contente
Lire Voc E + F page 41

Slide 2 - Tekstslide

Le 2 juin
5E Regarder
ensemble 20 b
20 a + 21

Slide 3 - Tekstslide

Devoirs:
Mardi (=dinsdag): voca 5 E +
racontez votre weekend en 5 phrases
au passé composé (5 steekwoorden in het nederlands mag)
Jeudi (= donderdag): voca 5 a, b, e (herhaling)

Gebruik texte page 17, exercice 12a, 14, 16d, 17d, f, g

Slide 4 - Tekstslide

Le 2 juin
Devoirs: 
Mardi (=dinsdag): voca 5 E + 
racontez votre weekend en 5 phrases
au passé composé (5 steekwoorden in het nederlands mag)
Jeudi (= donderdag): voca 5 a, b, e (herhaling)
Gebruik texte page 17, exercice 12a, 14, 16d, 17d, f, g

Slide 5 - Tekstslide

ik klets - ik heb gekletst
timer
1:00

Slide 6 - Open vraag

wij vieren - wij hebben gevierd
timer
1:00

Slide 7 - Open vraag

zij eten - zij hebben gegeten
timer
1:00

Slide 8 - Open vraag

jij zingt - jij hebt gezongen
timer
1:00

Slide 9 - Open vraag

u vraagt - u hebt gevraagd
timer
1:00

Slide 10 - Open vraag

wie, wat, waar, waarom
timer
1:00

Slide 11 - Open vraag

La classe du 1 juin
Ensemble: 16 a + 17 a
Vous avez zéro fautes ou 1 faute? 
Ex. 16 d + 17 e, f, g + 18 a, b (= ex 15 maar uitgebreider)

Vous avez plus d' une faute? Page 157 du livre!
16 b, c, d, + 17 b, c, d, e, f, g
Einde uur ben je klaar t/m 17 f

Slide 12 - Tekstslide

La classe du 1 juin
rest te doen: ex 15 en voca lezen voor uitspraak! 
17/18 en 20 b/c

Slide 13 - Tekstslide

Ken je het nog? Het rijtje van être...
je
tu
il/elle/on
nous
vous
ils

Slide 14 - Tekstslide

Je kunt vertellen:
- hoe de tegenwoordige tijd in het Frans heet
- en hoe de verleden tijd heet
- hoe je deze beide tijden maakt bij ww op -er: de regels
- hoe 'avoir' in de tegenwoordige tijd gaat




Slide 15 - Tekstslide

avoir (présent = tegenwoordige tijd)
j' ai
tu as
il a (elle a, on a)
nous avons
vous avez
ils ont (elles ont)
https://www.youtube.com/watch?v=bOhGWm7uGcI

Slide 16 - Tekstslide

Passé composé = vorm van avoir 

j' ai 
tu as
il a
nous avons
vous avez
ils ont
+ parlé (= passé composé)
(= verleden tijd)

parlé (gesproken)
parlé (gesproken) 
parlé (gesproken)
parlé (gesproken)
parlé (gesproken)
parlé (gesproken)

Slide 17 - Tekstslide

les verbes en -er (1)
Alle werkwoorden op -er krijgen é 
in de passé composé! 
Dus: -r eraf en é ervoor in de plaats.

1. https://www.youtube.com/watch?v=yabNighjwcw
Start bij 3.00 



Slide 18 - Tekstslide