H6 herhaling

6.5 Elektrische Energie
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 32 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

6.5 Elektrische Energie

Slide 1 - Tekstslide

Programma
Herhaling H6 
Aan de slag: gemengde opgaven + Nakijken 
Escaperoom 
Blooket ?

Slide 2 - Tekstslide

6.1 Spanningsbronnen
Een spanningsbron levert elektrische energie.

De sterkte van een spanningsbron noemen we de spanning (U). 
De eenheid is volt (V)


Een stopcontact heeft
Een spanning van 230 V.

Slide 3 - Tekstslide

6.1 Spanningsbronnen
Meetbereik


Het meetbereik is het gebied waarin gemeten kan worden.


Als je gaat meten moet 
je eerst het grootste 
meetbereik kiezen.

Bij de meter hiernaast is dat 30 V.
 


Slide 4 - Tekstslide

6.1 Spanningsbronnen
Het aflezen van een voltmeter.

Bepaal eerst waarop het meetbereik is ingesteld 
Op de rechter foto is dat 15 V
Lees hierna de juiste schaal af.
Dus de schaal tot 15V.
De waarde is dan 4,5V



Slide 5 - Tekstslide

Batterijen in serie = spanningen optellen

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Geleiders en isolatoren.

Voorbeelden van geleiders zijn:
koper                 zilver
ijzer                    lood
staal                  zink
nikkel                brons
goud                 koolstof
Een geleider is een stof die een elektrische stroom goed doorlaat.
6.2 stroomkringen

Slide 8 - Tekstslide

Geleiders en isolatoren.

Voorbeelden van isolatoren zijn:
hout            steen
plastic         kurk
papier         marmer
glas            perspex
rubber        zuiver water

Een isolator is een stof die elektrische stroom niet doorlaat.

6.2 stroomkringen

Slide 9 - Tekstslide

6.2 stroomkringen
Om een elektrisch apparaat te laten werken sluit je deze met een snoer aan op een spanningsbron.
Er gaat een elektrische stroom lopen.
De elektrische stroom transporteert de elektrische energie naar het apparaat.

Slide 10 - Tekstslide

Schakelingen tekenen

Een schakeling bestaat uit elektrische onderdelen die met elkaar zijn verbonden.

Schakeling

6.2 stroomkringen
Elektrische onderdelen zijn bijvoorbeeld een spanningsbron, een lampje en een schakelaar.
De draden verbinden deze onderdelen.

Slide 11 - Tekstslide

Elektrische symbolen
De rechter symbolen moet je kunnen herkennen en tekenen.
6.2 stroomkringen

Slide 12 - Tekstslide

Schakelingen tekenen

Schakelschema met symbolen
Om een tekening te maken van een schakeling gebruik je symbolen.
Een eenvoudige tekening van een schakeling noem je een schakelschema.

6.2 stroomkringen
Schakeling

Slide 13 - Tekstslide

Spanning
U
Volt
V
Stroomsterkte
I
Ampere
A

Slide 14 - Tekstslide

Serieschakeling
  • Alle apparaten zitten in 1 stroomkring en er is maar 1 route die de stroom kan nemen

  • Is 1 apparaat kapot? Dan gaan alle apparaten uit

Slide 15 - Tekstslide


  • Elk apparaat heeft zijn eigen stroomkring

  • Werkt 1 apparaat niet dan werken de andere onderdelen nog wel
Parallelschakeling

Slide 16 - Tekstslide

Spanning meten
Om spanning in een schakeling te meten
sluit je een voltmeter parallel aan

Slide 17 - Tekstslide

Serieschakeling
Parallelschakeling

Slide 18 - Tekstslide

Serie-schakeling
Parallel-schakeling
Alle apparaten aan of uit
Elk apparaat apart aan/uit
Spanning verschilt
Spanning gelijk

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Gevaren van elektriciteit

Overbelasting
Elektriciteit door een draad geeft warmte. Als er teveel stroom doorheen loopt wordt de draad te warm. Er kan brand ontstaan.

6.4 Elektriciteit in huis

Slide 21 - Tekstslide

Gevaren van elektriciteit
kortsluiting
Loopt de stroom van de spanningsbron direct terug naar de spanningsbron.


6.4 Elektriciteit in huis

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kunt uitleggen dat vermogen van een apparaat te maken heeft met energiegebruik.
  • Rekenen met E = P . t
  • Berekenen hoeveel je moet betalen voor het energieverbruik


Slide 24 - Tekstslide

Vermogen
De hoeveelheid energie die een apparaat per seconde gebruikt, noem je het vermogen van dat apparaat. De eenheid van vermogen is watt (W).

Slide 25 - Tekstslide

Vermogen

Een apparaat met meer vermogen (meer Watt) is krachtiger dan een apparaat met minder vermogen. 


Slide 26 - Tekstslide

Energie
Als een apparaat stroom gebruikt, verdwijnt die energie niet zomaar. Ze wordt omgezet in warmte en in energie voor wat het apparaat doet: licht geven, geluid maken of bewegen. De hoeveelheid elektrische energie meten we in kilowattuur (kWh).

Slide 27 - Tekstslide

Tabel grootheden en eenheden

Grootheid
Symbool
Eenheid
Symbool
Energie
E
Kilowattuur
kWh
Vermogen
P
Kilowatt
kW
Tijd
t
Uur
h

Slide 28 - Tekstslide

E=Pxt
Een wasmachine heeft een vermogen van 600 W. Een was duurt 3,5 uur. Hoeveel energie is er gebruikt?

Gegeven:
Gevraagd: 
Formule: 
Berekening:
Antwoord: 

Slide 29 - Tekstslide

Energiekosten =Energie x prijs van één kWh 

De wasmachine verbruikt dus voor een wasbeurt 2,1 kWh.
Hoeveel kost het draaien van een was bij een prijs van € 0,30 / kWh?

Slide 30 - Tekstslide

Aan de slag

maken:   Gemengde opdrachten: 69 + 71 + 74 t/m 77 vanaf blz 195  + Nakijken (via teams)
Klaar? Maak opgaves 78 t/m 80 Of leren H6

Geluidsniveau: maximaal fluisteren.


timer
10:00

Slide 31 - Tekstslide

Escaperoom
Welk tweetal schrijft als eerste de juiste code op het bord <--
<---------------------------------------------------------------------


Slide 32 - Tekstslide