Hoofdstuk 4 Taalverzorging

Hoofdstuk 4 Taalverzorging
bladzijde 204
1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 4 Taalverzorging
bladzijde 204

Slide 1 - Tekstslide

Doelen en waarom!


- Je kunt bepalen of een werkwoord sterk of zwak is
- Je kunt zwakke werkwoorden in de verleden tijd spellen
- Je kunt het voltooid deelwoord van sterke en zwakke woorden spellen

Waarom zou je dit moeten leren denk je ? 


Slide 2 - Tekstslide

Korte herhaling werkwoorden
- Nog even samen oefenen met werkwoorden ( herhaling ) 

- Nieuw: sterke en zwakke werkwoorden !




Slide 3 - Tekstslide

Werkwoorden
Een werkwoord vertelt wat iemand (of iets) doet.

Slide 4 - Tekstslide

Samen oefenen
1. Juf Marjolein valt iedere ochtend uit haar bed

2. De bakker drinkt elke dag tien bier

3. Jan en Piet lopen samen naar de maan 


Slide 5 - Tekstslide

Zoek de werkwoorden !
Heb je er wel eens over nagedacht hoe smerig mensen zijn? Of dieren? Vast niet ! Anders zou je nooit meer je mobieltje aanraken, op een toilet gaan zitten of naar een zwembad gaan. Of een ongewassen appel eten.....
Jij bestaat uit vocht, slijm, snot, bloed en ander smerig weefsel. Hoe smerig het ook is, veel mensen vinden het stiekem best interessant ..

Slide 6 - Tekstslide

Wat zijn werkwoorden? 
Sleep alle werkwoorden naar 'Werkwoord' .  De rest sleep je naar   'Geen werkwoord'.
Werkwoord
Geen werkwoord
huis
goede
verhuizen
heb
zijn
hond
tafel
bloempje
Kopje
rood
tent
bijzonder
denken
lopen
huilen
moeten
wil
geeft

Slide 7 - Sleepvraag

NU:
Sterke en zwakke werkwoorden! 

Slide 8 - Tekstslide

Sterk werkwoord
Kan veranderen van KLANK:  lopen/ liep

Zwak werkwoord
Kan niet veranderen 
werken/ werkte 

Slide 9 - Tekstslide

Sterke en zwakke werkwoorden
1. Jan en Piet lopen op de maan.                                                                  Sterk / Zwak 

2. Piet valt van zijn fiets .                                                                                  Sterk / Zwak 

3. Jan lacht hard om Piet.                                                                                Sterk / Zwak 

verleden tijd=  ..................
verleden tijd=  ..................
verleden tijd=  ..................

Slide 10 - Tekstslide

DRINKEN is een werkwoord
A
Dat klopt
B
Dat klopt niet

Slide 11 - Quizvraag

Drinken wordt dronk in de verleden tijd.
Verandert hier de klinkerklank?
A
NEE
B
JA

Slide 12 - Quizvraag

Gaan wordt in de verleden tijd gingen.
Verandert hier de klinkerklank?
A
JA
B
NEE

Slide 13 - Quizvraag

Is GAAN dan een sterk of een zwak werkwoord?
A
Sterk
B
Zwak

Slide 14 - Quizvraag

Zwemmen is een sterk werkwoord


A
Dat klopt
B
Dat klopt niet

Slide 15 - Quizvraag

Bezoeken is een...

Bezoeken / Bezochten
A
Sterk werkwoord
B
Zwak werkwoord

Slide 16 - Quizvraag

Reizen is een
A
Sterk werkwoord
B
Zwak werkwoord

Slide 17 - Quizvraag

Boek 
Bladzijde 205
opdracht 1

Klaar?  We gaan zo verder met het volgende onderdeel!

Slide 18 - Tekstslide

Volgende onderdeel
De persoonsvorm spellen in de verleden tijd


Slide 19 - Tekstslide

Hoe schrijf je zwakke werkwoorden in de verleden tijd?


Werkwoord:  werken  

Verleden tijd: werkde, werkte of workt of workte ??

Slide 20 - Tekstslide

Weet je nog hoe je de stam maakt??
Dat heb je namelijk nodig..

Even oefenen....

Slide 21 - Tekstslide

STAM= werkwoord
Werkwoord
stam
Fietsen
Zwemmen
Rekenen
Koken
Spelen
Bellen
Werkwoord
Stam
Duwen
Denken
Leren
Schieten
Proberen
Durven

Slide 22 - Tekstslide

Dan gaan we nu verder! 
't X KOFSCHIP ! 

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Even oefenen ( juf)
1.  (beantwoorden)  Hij ............................. mijn liefdesbrief niet

STAP 1 : haal EN van het werkwoord af:    
.....................   

STAP 2: Staat de laatste letter in : 't X Kofschip  ?? 
kijk nu op je eigen blad voor het invullen van het werkwoord!! 

Slide 25 - Tekstslide

SAMEN met juf ! 
Gebruik je eigen blad,  volg de stappen! 
Maak de verleden tijd van sterke en zwakke werkwoorden.

1. (vliegen)  Meneer Vaak ............................... vloog naar de maan
2. (stappen) Ik ............................met het goede been uit bed
3. ( missen) ...........................................jij de bus naar school? 

Slide 26 - Tekstslide

Werkblad 

Maak de verleden tijd van de werkwoorden tussen haakjes 
Gebruik je 't X- Kofschip blad voor de juiste stappen 
timer
15:00
we kijken samen na

Slide 27 - Tekstslide

Herhaling 
- De stam maken! 
- 't X Kofschip- hoe zat het ook alweer?

Pak je eigen 't X-Kofschip schema er even bij!

Slide 28 - Tekstslide

Hele werkwoord

Stam
Zit
Loop
Werken
Rennen
Fietsen
Voetballen
Praten
Zing
Vlieg

Slide 29 - Sleepvraag

Sterk werkwoord
Kan veranderen van klank
(lopen/ liep)
Zwak werkwoord
Kan niet veranderen 
werken/ werkte 

Slide 30 - Tekstslide

Werkwoord
stam
Vliegen
Pakken
Drijven
Kijken
Vlechten
Zuchten
Werkwoord
Sterk of Zwak? 
Vliegen
Pakken
Drijven
Kijken
Vlechten
Zuchten
Antwoorden

Slide 31 - Tekstslide

Sterk werkwoord
Zwak werkwoord
Lopen
Werken
Slapen
telefoneren
Stelen
passen
missen
Breken

Slide 32 - Sleepvraag

Werkblad 
Lees goed wat je moet doen! 
Klaar? vraag het antwoordblad en kijk zelf na! 
Verbeter ook de foutjes
timer
15:00

Slide 33 - Tekstslide

Einde van deze les
Volgende les verder oefenen met 
't X -Kofschip 

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

werkboek bladzijde 207
Opdracht 2 en 3 


Pak je eigen schema van
't  X Kofschip erbij 



Dat is handig !

Slide 36 - Tekstslide

Theorie: Voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord is de werkwoordsvorm die aangeeft dat iets is gebeurd ( dus voltooid)

In die zin staat een vorm van 'hebben'/ ' zijn' 

Een voltooid deelwoord begint met een voorvoegsel: 
ge-, ver-, her-, er-, be- of ont-.
Een voltooid deelwoord eindigt op -d, -t of -(e)n. 

Slide 37 - Tekstslide

Voltooid deelwoord herkennen
Deze groente heb ik nog nooit gegeten

Er staan twee werkwoorden in deze zin
De eerste is heb, dat is dus de persoonsvorm

Dus gegeten is het voltooid deelwoord

Slide 38 - Tekstslide

Paar quizvragen 
Om te oefenen! 

Slide 39 - Tekstslide

Wat is een voltooid deelwoord?
A
wandel
B
wandelde
C
gewandeld
D
lopen

Slide 40 - Quizvraag

Wat is een voltooid deelwoord?
A
aankomen
B
groeten
C
gedaan
D
zwemmen

Slide 41 - Quizvraag

Wat is het voltooid deelwoord?
A
Fietsen
B
Schrijven
C
Rennen
D
Vervoerd

Slide 42 - Quizvraag

Wat is het voltooid deelwoord?
A
Ontdekt
B
Slapen
C
Kijken
D
Keek

Slide 43 - Quizvraag

Werkboek blz 210
opdracht 4
Voltooid deelwoord maken! 

Samen maken!

Slide 44 - Tekstslide

Slide 45 - Tekstslide