Breuken noteren we in deze LessonUp als volgt: 3/4
Hoofdstuk 6
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1
In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Lesduur is: 45 min
Onderdelen in deze les
Procenten
Blauw = zonder rekenmachine
Oranje = met rekenmachine
Breuken noteren we in deze LessonUp als volgt: 3/4
Hoofdstuk 6
Slide 1 - Tekstslide
Vereenvoudig deze breuk: 21/36
Slide 2 - Open vraag
Bereken en vereenvoudig als dat kan: 2/7 + 3/14 =
Slide 3 - Open vraag
Vereenvoudig deze breuk zoveel mogelijk: 40/100
Slide 4 - Open vraag
Bereken en vereenvoudig als dat kan: 9/10 - 3/30 =
Slide 5 - Open vraag
Bereken: 5/9 van 36 =
Slide 6 - Open vraag
Wat is meer? Bereken met een rekenmachine.
A
3/7
B
5/12
Slide 7 - Quizvraag
Wat is meer? Bereken met een rekenmachine.
A
3 23/24
B
3 95/100
Slide 8 - Quizvraag
Reken uit:
Slide 9 - Open vraag
gebruik je rekenmachine
A
21,9
B
21,65
C
21,64
D
21,914
Slide 10 - Quizvraag
Welke bewering is juist?
A
procent betekent per 1
B
procent betekent per 10
C
procent betekent per 100
D
procent betekent per 1000
Slide 11 - Quizvraag
Welke breuk hoort bij 60%
A
0,60
B
6/10
C
60/100
D
0,6
Slide 12 - Quizvraag
Hoeveel procent hoort bij 0,75
A
7,5%
B
75%
C
75/100
D
3/4
Slide 13 - Quizvraag
Welk decimaal hoort bij
83
A
38/100
B
0,375
C
37,5%
D
38%
Slide 14 - Quizvraag
Schrijf dit percentage als een breuk: 55% = ...
A
551
B
10055
C
55100
D
1055
Slide 15 - Quizvraag
Welke breuk hoort bij het percentage 15%
A
203
B
101
C
10015
D
205
Slide 16 - Quizvraag
= groter dan / kleiner dan/ gelijk aan 10%
101
A
groter dan
B
kleiner dan
C
gelijk aan
Slide 17 - Quizvraag
0,3 = groter dan / kleiner dan / gelijk aan 30%
A
groter dan
B
kleiner dan
C
gelijk aan
Slide 18 - Quizvraag
Van alle nieuw verkochte auto’s in Nederland is 30% wit. In 2015 werden 450 000 nieuwe auto’s verkocht.
Bereken hoeveel van deze auto’s wit waren
A
4500
B
45000
C
13500
D
Wie koopt er nu een witte auto?
Slide 19 - Quizvraag
Normaal kost een zak chips 1,50 euro. Nu is er 1/3 deel korting. Bereken de korting.
A
De korting is 1 euro
B
De korting is 0,80 euro
C
De korting is 0,50 euro
D
De korting is 1,20 euro
Slide 20 - Quizvraag
Normaal kost een sporttas 45 euro. Nu is er 60% korting. Hoeveel euro korting krijg je?
A
20 euro
B
27 euro
C
40 euro
D
60 euro
Slide 21 - Quizvraag
Jaco kocht in 2016 een nieuwe auto. Hij kreeg 10% korting op de aanschafprijs van € 24.000,-. Bereken hoeveel euro Jacco voor zijn auto heeft betaald
A
€ 23.990,-
B
€
C
€ 21.600,-
D
€ 24.600,-
Slide 22 - Quizvraag
Wat is de vermenigvuldigingsfactor? 15%
A
1,15
B
0,15
C
1,5
D
2,5
Slide 23 - Quizvraag
Ik moet € 398,- betalen. Ik krijg 10% korting. De korting is:
A
€ 398,-
B
€ 3,98
C
€ 0,39
D
€ 39,80
Slide 24 - Quizvraag
Slide 25 - Open vraag
A
8 uur
B
7,5 uur
C
7 uur
D
het goede antwoord staat er niet bij
Slide 26 - Quizvraag
Praxis ruimt loungesets op. Marc koopt een loungeset van € 689,-. Hij krijgt 35% korting. Hoeveel euro korting heeft Marc gekregen?
Slide 27 - Open vraag
Tijdens de bulk-10 daagse koopt Carl een fototoestel van € 398,- en een statief van € 125,-. Op beide artikelen krijgt hij 15% korting. Bereken hoeveel hij in totaal moet betalen
Slide 28 - Open vraag
Hoeveel procent van de rechthoek is niet gekleurd?
Slide 29 - Open vraag
In een aquarium met 408 vissen zwemmen 23 maanvissen. Hoeveel % maanvissen zwemmen er in de vijver? Rond af op 1 decimaal.
Slide 30 - Open vraag
Op een tribune zitten 145 vrouwen en 112 mannen. Hoeveel is het % vrouwen op de tribune? Rond af op 1 decimaal.