Startklaar H3 aftrekken

startklaar

1 / 37
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsRekenenISK

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

startklaar

De les opent met herhaling van bekende rekentaal uit getallen en optellen, en bouwt daarna door naar nieuwe woorden bij aftrekken.

Lesdoel

Ik kan rekentaal over getallen, optellen en aftrekken herkennen en correct gebruiken.

Deze slide heeft geen instructies

Waar denk je aan bij dit teken? Noem zoveel mogelijk woorden.

Gebruik de woordenwolk om voorkennis te activeren. Verwachte woorden: cijfer, getal, plus, min, samen, totaal, eraf, minder, groter dan, kleiner dan.

Getallen: bekende rekentaal

  • We herhalen woorden uit hoofdstuk 1 en 2

  • Deze woorden helpen bij sommen lezen

  • Rekentaal maakt duidelijk wat je moet doen.

Activeer voorkennis: leerlingen hebben deze woorden al eerder gezien. Focus op herkenning en betekenis, niet op lange uitleg.

waarde

eenheden

tientallen

honderdtallen

Belangrijke woorden

  • 34 = 3 tientallen en 4 eenheden

  • 206 = 2 honderdtallen, 0 tientallen, 6 eenheden

Betekenis

Gebruik eventueel mondeling extra voorbeelden zoals 45 en 450 om te laten horen dat dezelfde cijfers iets anders betekenen.

Getallen vergelijken

  • groter dan: >

  • kleiner dan: <

  • gelijk aan: =

  • Deze woorden gebruik je om twee getallen met elkaar te vergelijken

Koppel taal direct aan symbolen. Laat het begrip eerst in woorden landen en daarna pas in tekens.

Waarom rekentaal bij getallen belangrijk is

  • Je begrijpt opdrachten sneller

  • Je kunt nauwkeuriger antwoorden

  • Je ziet beter wat een som van je vraagt

Dit is de brug naar de volgende herhaling: dezelfde nauwkeurigheid is nodig bij optellen en aftrekken.

Wat betekent ongeveer?

A

bijna hetzelfde

B

meer

C

kleiner

D

ervoor

Controleert het onderscheid tussen cijfer en getal. Afleiders zijn rekentermen uit andere slides.

Welk teken is kleiner dan

A

>

B

<

Deze slide heeft geen instructies

4 plaatsen verder dan 3 is

Deze slide heeft geen instructies

6 meer dan 2 is

Deze slide heeft geen instructies

10 is 3 meer dan

Deze slide heeft geen instructies

Het totaal van 5 en 7 is

Deze slide heeft geen instructies

De som van 9 en 15 is

Deze slide heeft geen instructies

9 is 4 meer dan

Deze slide heeft geen instructies

De fiets kost €200. De prijs stijgt met €50. Hoeveel kost de fiets nu?

Deze slide heeft geen instructies

Mike en Ali hebben allebei 8 stiften. Hoeveel stiften hebben ze samen?

Deze slide heeft geen instructies

Aftrekken: nieuwe rekentaal

  • Nu komt nieuwe woordenschat uit hoofdstuk 3

  • Deze woorden horen bij sommen met minder worden

  • Aftrekken is het tegenovergestelde van optellen

Maak de overgang duidelijk: van bekende opteltaal naar nieuwe aftrektaal.

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de betekenis van

?

A

neemt af

B

tekort komen

C

eraf halen

D

het verschil

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent tekortkomen?

A

afnemen

B

te weinig hebben

C

overhouden

D

het verschil

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil?

A

te weinig hebben

B

minder worden

C

kleiner dan

D

de uitkomst van een minsom

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil tussen 18 en 12?

Deze slide heeft geen instructies

25 met 12 eraf is gelijk aan

Deze slide heeft geen instructies

1 is 8 minder dan

Deze slide heeft geen instructies

10 is 3 meer dan

Deze slide heeft geen instructies

4 is 4 minder dan

Deze slide heeft geen instructies

Hoe groot is het verschil tussen 7 en 4?

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel is de som van 30 en 25?

Deze slide heeft geen instructies

Verminder 14 met 6. Hoeveel blijft er over?

Deze slide heeft geen instructies

Welk woord laat meestal zien dat je moet optellen?

1

erbij

2

eraf

3

minder

4

over

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heet de uitkomst van een aftreksom?

A

som

B

term

C

verschil

D

getal

Nieuw kernwoord uit hoofdstuk 3: verschil.

Rekentaal bij aftrekken

Bij aftrekken haal je iets eraf. Dan wordt het minder. Wat daarna over blijft, hoort bij aftrekken. De uitkomst heet het verschil.

eraf
minder
over
verschil
erbij
totaal
som
termen

De blanks volgen de opbouw van de inhoudsslides: handeling, verandering, rest en uitkomst.

aan het werk

  • vertaal de woorden op bladzijde 60 en 61

  • maak de opdrachten van bladzijde 62 t/m 67

  • laptop



Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Wat heb je vandaag geleerd over rekentaal?

Laat leerlingen kort benoemen wat ze inhoudelijk hebben geleerd, bijvoorbeeld een nieuw woord of het verschil tussen optellen en aftrekken.

Welke rekentaal wil jij nog extra oefenen?

Mogelijke antwoorden: verschil tussen cijfer en getal, woorden bij optellen, woorden bij aftrekken, verschil als uitkomst van aftrekken.