startklaar
startklaar
De les opent met herhaling van bekende rekentaal uit getallen en optellen, en bouwt daarna door naar nieuwe woorden bij aftrekken.
Lesdoel
Ik kan rekentaal over getallen, optellen en aftrekken herkennen en correct gebruiken.
Deze slide heeft geen instructies
Waar denk je aan bij dit teken? Noem zoveel mogelijk woorden.
Gebruik de woordenwolk om voorkennis te activeren. Verwachte woorden: cijfer, getal, plus, min, samen, totaal, eraf, minder, groter dan, kleiner dan.
Getallen: bekende rekentaal
We herhalen woorden uit hoofdstuk 1 en 2
Deze woorden helpen bij sommen lezen
Rekentaal maakt duidelijk wat je moet doen.
Activeer voorkennis: leerlingen hebben deze woorden al eerder gezien. Focus op herkenning en betekenis, niet op lange uitleg.
waarde
eenheden
tientallen
honderdtallen
Belangrijke woorden
34 = 3 tientallen en 4 eenheden
206 = 2 honderdtallen, 0 tientallen, 6 eenheden
Betekenis
Gebruik eventueel mondeling extra voorbeelden zoals 45 en 450 om te laten horen dat dezelfde cijfers iets anders betekenen.
Getallen vergelijken
groter dan: >
kleiner dan: <
gelijk aan: =
Deze woorden gebruik je om twee getallen met elkaar te vergelijken
Koppel taal direct aan symbolen. Laat het begrip eerst in woorden landen en daarna pas in tekens.
Waarom rekentaal bij getallen belangrijk is
Je begrijpt opdrachten sneller
Je kunt nauwkeuriger antwoorden
Je ziet beter wat een som van je vraagt
Dit is de brug naar de volgende herhaling: dezelfde nauwkeurigheid is nodig bij optellen en aftrekken.
Wat betekent ongeveer?
bijna hetzelfde
meer
kleiner
ervoor
Controleert het onderscheid tussen cijfer en getal. Afleiders zijn rekentermen uit andere slides.
Welk teken is kleiner dan
>
<
Deze slide heeft geen instructies
4 plaatsen verder dan 3 is
Deze slide heeft geen instructies
6 meer dan 2 is
Deze slide heeft geen instructies
10 is 3 meer dan
Deze slide heeft geen instructies
Het totaal van 5 en 7 is
Deze slide heeft geen instructies
De som van 9 en 15 is
Deze slide heeft geen instructies
9 is 4 meer dan
Deze slide heeft geen instructies
De fiets kost €200. De prijs stijgt met €50. Hoeveel kost de fiets nu?
Deze slide heeft geen instructies
Mike en Ali hebben allebei 8 stiften. Hoeveel stiften hebben ze samen?
Deze slide heeft geen instructies
Aftrekken: nieuwe rekentaal
Nu komt nieuwe woordenschat uit hoofdstuk 3
Deze woorden horen bij sommen met minder worden
Aftrekken is het tegenovergestelde van optellen
Maak de overgang duidelijk: van bekende opteltaal naar nieuwe aftrektaal.
Deze slide heeft geen instructies
Wat is de betekenis van
?
neemt af
tekort komen
eraf halen
het verschil
Deze slide heeft geen instructies
Wat betekent tekortkomen?
afnemen
te weinig hebben
overhouden
het verschil
Deze slide heeft geen instructies
Wat is het verschil?
te weinig hebben
minder worden
kleiner dan
de uitkomst van een minsom
Deze slide heeft geen instructies
Wat is het verschil tussen 18 en 12?
Deze slide heeft geen instructies
25 met 12 eraf is gelijk aan
Deze slide heeft geen instructies
1 is 8 minder dan
Deze slide heeft geen instructies
10 is 3 meer dan
Deze slide heeft geen instructies
4 is 4 minder dan
Deze slide heeft geen instructies
Hoe groot is het verschil tussen 7 en 4?
Deze slide heeft geen instructies
Hoeveel is de som van 30 en 25?
Deze slide heeft geen instructies
Verminder 14 met 6. Hoeveel blijft er over?
Deze slide heeft geen instructies
Welk woord laat meestal zien dat je moet optellen?
erbij
eraf
minder
over
Deze slide heeft geen instructies
Hoe heet de uitkomst van een aftreksom?
som
term
verschil
getal
Nieuw kernwoord uit hoofdstuk 3: verschil.
Rekentaal bij aftrekken
Bij aftrekken haal je iets eraf. Dan wordt het minder. Wat daarna over blijft, hoort bij aftrekken. De uitkomst heet het verschil.
De blanks volgen de opbouw van de inhoudsslides: handeling, verandering, rest en uitkomst.
aan het werk
vertaal de woorden op bladzijde 60 en 61
maak de opdrachten van bladzijde 62 t/m 67
laptop
Deze slide heeft geen instructies
Deze slide heeft geen instructies
Wat heb je vandaag geleerd over rekentaal?
Laat leerlingen kort benoemen wat ze inhoudelijk hebben geleerd, bijvoorbeeld een nieuw woord of het verschil tussen optellen en aftrekken.
Welke rekentaal wil jij nog extra oefenen?
Mogelijke antwoorden: verschil tussen cijfer en getal, woorden bij optellen, woorden bij aftrekken, verschil als uitkomst van aftrekken.