Chapitre 2 - bron A en C

we gaan 3 dingen doen

  1. révision, deze woorden zijn uit vocabulaire A, ken je ze al?
  2. persoonlijk voornaamwoord als meewerkend voorwerp
  3. mondeling oefenen

1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

we gaan 3 dingen doen

  1. révision, deze woorden zijn uit vocabulaire A, ken je ze al?
  2. persoonlijk voornaamwoord als meewerkend voorwerp
  3. mondeling oefenen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

être en retard
A
te laat zijn
B
een bijbaan hebben
C
soms
D
geld sparen

Slide 2 - Quizvraag

révision, deze woorden zijn uit vocabulaire A, ken je ze al?
quelquefois

Slide 3 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

de fiets
A
la moto
B
le vélo
C
la voiture
D
l'argent

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

le magasin

Slide 5 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

ça a couté combien?
A
heb je een bijbaantje?
B
krijg je zakgeld?
C
ben je te laat?
D
hoeveel heeft het gekost?

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

gagner

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

tu fais des économies?
A
hoeveel kost het?
B
heb je iets gekocht?
C
heb je een bijbaantje?
D
spaar je?

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bron c - page 24
  • vervangt altijd een persoon of een dier, maar geen ding
  • zindsdeel begint altijd met het voorzetsel à, au, aux
  • dat deel van de zin kan je vervangen door persoonlijk vnw
  • me -> mij
  • te -> jou
  • lui -> hem of haar
  • nous  -> ons
  • vous  -> u of jullie
  • leur  -> hen 

Slide 9 - Tekstslide

persoonlijk voornaamwoord als meewerkend voorwerp
exercice 13b - page 56

herken je het meewerkend voorwerp?

(hoe herken je het nog weer?)

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat mag je vervangen in de zinnen?​
En door welk woord?​

  • Je donne l’argent à Marilène.​

  • Ils vont téléphoner à leurs parents.​
  • Nous avons donné un cadeau à mon père.​
  • Les élèves répondent aux profs.​
  • Il va parler à son meilleur ami.
me -> mij
te -> jou
lui -> hem of haar
nous -> ons
vous -> u of jullie
leur -> hen

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat mag je vervangen in de zinnen?​
En door welk woord?​

  • Je donne l’argent à Marilène = lui

  • Ils vont téléphoner à leurs parents = leur
  • Nous avons donné un cadeau à mon père. = lui
  • Les élèves répondent aux profs = leur
  • Il va parler à son meilleur ami = lui

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

plaats in de zin
Je zet het persoonlijkvnw VOOR het hele werkwoord als die in de zin staat.
Geen heel werkwoord? Dan VOOR het 1e werkwoord in de zin

  • Je donne l’argent à Marilène.
  • Ils vont téléphoner à leurs parents.
  • Nous avons donné un cadeau à mon père.
  • Les élèves répondent aux profs.
  • Il va parler à son meilleur ami.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

plaats in de zin?
Je donne l’argent à Marilène. Je lui donne l’ argent
Ils vont téléphoner à leurs parents. Ils vont leur téléphoner
Nous avons donné un cadeau à mon père. Nous lui avons donné un cadeau
Les élèves répondent aux profs. Les élèves leur répondent
Il va parler à son meilleur ami. Il va lui parler

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tu reçois de l’argent de poche ? [tu reswa de larzjan de posh ?)
Je reçois = ik krijg | Par semaine = per week | Par mois = per maand
Que fais-tu de ton argent de poche ? [ke fe tu de ton arzjan de posh ?)
J’achète (nommez des exemples)
Qu’est-ce que tu as acheté récemment ? [keske tu a ashetee reeseman ?)
Nommez 3 choses | Acheter = kopen | J’achète = ik koop | J’ai acheté = ik heb gekocht
Ça a coûté combien ? [sa a koetee kombjen ?) Combien = hoeveel
Ça a couté = het heeft gekost
Tu as un petit boulot ? [tu a un petie boeloo ?) un petit boulot = een baantje
Je fais du babysitting | je travaille chez.... | je n'ai pas de petit boulot.
Tu fais des économies ? [tu fe dez ekonomie ?] Faire des économies = sparen
Nommez 3 choses Acheter = kopen | J’achète = ik koop | J’ai acheté = ik heb gekocht
Ça a coûté combien ? [sa a koetee kombjen ?) Combien = hoeveel
J’ économise pour = ik spaar voor
Je fais des économie pour = ik spaar voor

Slide 15 - Tekstslide

Phrases –clés | Questions: parles avec ton voisin, ta voisine ( maak gebruik van de vraag om antwoord te geven in hele zinnen )

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies