Evolutie en soortvorming (Biologie havo), les 3: Terugblik quiz

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Quiz

Terugblik: Evolutie en soortvorming

1 / 15
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met twaalf vragen over soort en populatie, allelfrequentie, selectie, adaptatie, homologie en analogie, kunstmatige selectie, soortvorming en de evolutionaire stamboom.

Onderdelen in deze les

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Quiz

Terugblik: Evolutie en soortvorming

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: John Gould / Wikimedia Commons, publiek domein

Vul in

Een soort bestaat uit organismen die onderling vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen; een populatie is een groep van één soort in een gebied.

soort
populatie
geslacht
genenpool

Soort: vruchtbare nakomelingen. Populatie: één soort in één gebied. Verwachte fout: geslacht, dat is een groep verwante soorten.

Hoe ontstaat nieuwe genetische variatie in een populatie?

A

Door gerichte mutaties die een organisme nodig heeft

B

Doordat organismen zich aanpassen aan hun milieu

C

Doordat selectie nieuwe allelen maakt

D

Door willekeurige mutatie van het DNA

Nieuwe allelen ontstaan door willekeurige mutatie. Selectie kiest alleen uit wat er al is. Verwachte fout: denken dat het milieu gerichte mutaties veroorzaakt.

Een genenpool heeft 200 allelen, waarvan 150 keer allel A. Frequentie van A?

A

75%

B

25%

C

50%

D

150%

150 gedeeld door 200 is 0,75, dus 75%. Verwachte fout: 25%, dat is de frequentie van het andere allel, of 150% door niet te delen.

Welk voorbeeld is een selectiedruk?

A

Een mutatie in het DNA van een muis

B

Een muis met een donkere vacht

C

Roofvogels die vooral opvallende muizen vangen

D

Het aantal muizen op een eiland

Een selectiedruk is een milieufactor die bepaalt wie overleeft en zich voortplant, zoals predatie. Verwachte fout: een eigenschap of mutatie als selectiedruk zien.

Vul in

De fitness van een organisme is het voortplantingssucces; een erfelijke eigenschap die de overlevingskans vergroot, heet een adaptatie.

fitness
adaptatie
selectiedruk
mutatie

Fitness is voortplantingssucces, adaptatie een erfelijke eigenschap die past bij het milieu. Verwachte fout: selectiedruk invullen, dat is de milieufactor.

Zet de stappen van natuurlijke selectie in de goede volgorde

1

Organismen met een gunstig fenotype krijgen meer nakomelingen

2

Een selectiedruk werkt op het fenotype

3

Het gunstige allel komt vaker voor in de genenpool

4

Er is erfelijke variatie in de populatie

Eerst is er variatie, dan werkt de selectiedruk, dan meer nakomelingen en tot slot een hogere allelfrequentie. Verwachte fout: de selectiedruk vóór de variatie zetten.

Welke naam is het geslacht (genus) van Panthera leo en Panthera tigris?

A

leo

B

tigris

C

Panthera

D

Panthera leo

Het geslacht is het eerste deel van de wetenschappelijke naam. Verwachte fout: de soortnaam leo kiezen of de hele naam Panthera leo.

Welke uitspraak over homologie en analogie klopt?

A

Alleen homologie wijst op een gedeelde voorouder

B

Alleen analogie wijst op een gedeelde voorouder

C

Beide wijzen altijd op een gedeelde voorouder

D

Beide zeggen niets over afstamming

Homologe organen hebben dezelfde oorsprong, analoge hebben alleen dezelfde functie. Verwachte fout: uit gelijke functie een gemeenschappelijke voorouder afleiden.

Wat is een overeenkomst tussen natuurlijke en kunstmatige selectie?

A

Bij beide bepaalt het milieu de selectiedruk

B

Bij beide kiest de mens de eigenschappen

C

Bij beide ontstaan nieuwe allelen door selectie

D

Beide kiezen uit bestaande genetische variatie

Beide vormen kiezen uit variatie die er al is, waardoor de allelfrequentie verandert. Verwachte fout: de mens ook bij natuurlijke selectie als kiezer zien.

Leg uit wat reproductieve isolatie is.

Een goed antwoord: twee groepen planten zich niet meer met elkaar voort, doordat ze geen vruchtbare nakomelingen meer kunnen krijgen of elkaar niet meer ontmoeten. Verwachte fout: alleen geografische scheiding noemen.

Zet de stappen van soortvorming in de goede volgorde

1

Er ontstaan verschillen in allelfrequenties

2

De groepen krijgen geen vruchtbare nakomelingen meer

3

Een populatie wordt in twee delen gescheiden

4

De genenpools ontwikkelen zich apart

Eerst scheiding, dan aparte genenpools met andere mutaties en selectiedruk, dan verschillende allelfrequenties en tot slot reproductieve isolatie. Verwachte fout: reproductieve isolatie vooraan zetten.

Van welke voorouder stammen soort Q, R en S samen af?

A

Voorouder 1

B

Voorouder 2

C

Voorouder 3

D

Soort P

Voorouder 2 is de meest recente gemeenschappelijke voorouder van Q, R en S. Voorouder 3 geldt alleen voor R en S. Verwachte fout: voorouder 3 kiezen. Image credit: Eigen afbeelding, LessonUp

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Goed gedaan!

Je kunt nu uitleggen hoe variatie, selectie en isolatie samen nieuwe soorten laten ontstaan.

Deze slide heeft geen instructies