Selectie en soortvorming (Biologie vwo), les 3: Terugblik quiz

SOORTVORMING · SELECTIE

Quiz

Terugblik: Selectie en soortvorming

1 / 12
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met negen vragen over adaptatie, fitness, analogie en homologie, inteelt, co-evolutie, het geslacht in een wetenschappelijke naam, reproductieve isolatie en verwantschap in een cladogram.

Onderdelen in deze les

SOORTVORMING · SELECTIE

Quiz

Terugblik: Selectie en soortvorming

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Bernard Spragg / Wikimedia Commons, CC0

Wat is een adaptatie?

A

Erfelijke eigenschap die de voortplanting bevordert

B

Eigenschap die door oefening ontstaat en erfelijk wordt

C

Mutatie die in elk milieu een voordeel geeft

D

Verandering in het DNA door straling of stoffen

Een adaptatie is erfelijk en vergroot de kans op overleven en voortplanten in een milieu. Verwachte fout: een eigenschap die tijdens het leven is aangeleerd erfelijk noemen; die wordt niet doorgegeven.

Welk dier heeft de hoogste fitness?

A

P: 10 jongen, waarvan 2 zich voortplanten

B

R: 8 jongen, waarvan 1 zich voortplant

C

Q: 4 jongen, waarvan 3 zich voortplanten

D

S: 6 jongen, waarvan 2 zich voortplanten

Fitness is het aantal nakomelingen dat zelf weer voortplant: Q 3, P 2, S 2, R 1. Verwachte fout: P kiezen omdat dat dier de meeste jongen heeft.

Vlinder- en vogelvleugels vliegen allebei, maar zijn anders gebouwd. Wat is dit?

A

Homologe organen door een gemeenschappelijke voorouder

B

Homologe organen met dezelfde oorsprong

C

Analoge organen door een gelijke selectiedruk

D

Organen van twee nauw verwante soorten

Dezelfde functie maar een andere bouw en oorsprong: analogie. Verwachte fout: homologie kiezen omdat de functie hetzelfde is; bij homologie gaat het om dezelfde bouw en oorsprong.

Welk orgaanpaar is homoloog?

A

Arm van de mens en voorpoot van de kat

B

Vin van de haai en vin van de dolfijn

C

Oog van de octopus en oog van de mens

D

Vleugel van de libel en vleugel van de duif

Arm en voorpoot hebben hetzelfde bouwplan van botten door een gemeenschappelijke voorouder. De andere paren hebben alleen dezelfde functie. Verwachte fout: de vinnen kiezen omdat die erg op elkaar lijken.

Waarom hebben rashonden vaker erfelijke ziekten na veel inteelt?

A

Inteelt veroorzaakt nieuwe schadelijke mutaties

B

Schadelijke dominante allelen verdwijnen niet meer

C

Nauw verwante dieren hebben meer genetische variatie

D

Schadelijke recessieve allelen komen vaker dubbel voor

Nauw verwante ouders hebben vaak hetzelfde recessieve allel, dus de nakomelingen krijgen het vaker van beide kanten. Verwachte fout: denken dat inteelt zelf mutaties veroorzaakt.

Welk voorbeeld is co-evolutie?

A

Een soort wordt kleiner door een koude winter

B

Planten maken sterker gif, rupsen verdragen dat beter

C

Een boer kiest koeien met veel melk

D

Een rivier splitst een populatie in tweeën

Twee soorten zijn elkaars selectiedruk en veranderen wederzijds. De andere voorbeelden gaan over een milieufactor, kunstmatige selectie en een barrière. Verwachte fout: de koudere winter kiezen omdat dat een selectiedruk is; er is dan maar één soort die verandert.

Geslacht van Canis lupus en Canis latrans?

Canis: het eerste deel van de wetenschappelijke naam is het geslacht, het tweede deel de soort. Verwachte fout: lupus noemen; dat is de soortnaam.

Welk voorbeeld is een vorm van reproductieve isolatie?

A

Twee populaties gras die in andere maanden bloeien

B

Twee populaties die hetzelfde voedsel eten

C

Een populatie met een nieuw allel door mutatie

D

Twee groepen die elkaar vaak ontmoeten en kruisen

Een verschil in bloeitijd voorkomt voortplanting tussen de groepen: reproductieve isolatie. Verwachte fout: een mutatie kiezen; die is op zichzelf geen isolatie.

Met P delen Q, R, S en T elk een voorouder. Wie is het nauwst verwant met P?

A

Q: voorouder van 12 miljoen jaar geleden

B

S: voorouder van 20 miljoen jaar geleden

C

R: voorouder van 5 miljoen jaar geleden

D

T: voorouder van 8 miljoen jaar geleden

Hoe recenter de gemeenschappelijke voorouder, hoe nauwer de verwantschap: R heeft de jongste voorouder met P. Verwachte fout: S kiezen omdat de oudste voorouder het grootste getal heeft.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

SOORTVORMING · SELECTIE

Goed gedaan!

Goed gedaan. Je kunt nu selectie en adaptatie uitleggen, natuurlijke en kunstmatige selectie vergelijken, soortvorming verklaren en een cladogram lezen en opstellen.

Deze slide heeft geen instructies