Dierenwelzijn

Dierenwelzijn
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
DierverzorgingMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Dierenwelzijn

Slide 1 - Tekstslide

Wat is de definitie van dierenwelzijn?
A
De kwaliteit van leven zoals deze door de mens wordt ervaren.
B
De kwaliteit van leven zoals deze door het dier wordt ervaren.
C
De kwaliteit van leven zoals deze door zowel mens als dier wordt ervaren.

Slide 2 - Quizvraag

Gezondheid en gedrag zijn twee kenmerken van een goed dierenwelzijn.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 3 - Quizvraag

Dieren hebben een eigen, intrinsieke waarde. Wat betekent dit?
A
Dieren hebben behoeften en gevoelens.
B
Dieren hebben een hoge status voor mensen.
C
Dieren hebben verschillende karakter eigenschappen.

Slide 4 - Quizvraag

Welke behoort NIET tot de vijf vrijheden?
A
Vrij van angst en chronisch stress
B
Vrij van eenzaamheid
C
Vrij van pijn, verwondingen en ziektes

Slide 5 - Quizvraag

Welke wet was in 2010 van kracht?
A
Wet dieren
B
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
C
Wet op dierproeven

Slide 6 - Quizvraag

In de Wet dieren staat de verhouding tussen mens en dier centraal.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 7 - Quizvraag

Uit hoeveel sterren kan het Beter Leven-keurmerk bestaan?
A
3 sterren
B
4 sterren
C
5 sterren

Slide 8 - Quizvraag

Op een hokkaart staan de dagelijkse werkzaamheden voor een dier.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quizvraag

Vaccineren en ontwormen zijn voorbeelden van periodieke werkzaamheden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 10 - Quizvraag

Hoe zorg je ervoor dat iedereen op de hoogte is van de maatregelen? vb: om het verspreiden van ziektekiemen te voorkomen
A
In de ochtend tegen je collega zeggen
B
Bordjes met een looproute
C
Naambordjes bij de materialen

Slide 11 - Quizvraag

Hoe wordt de verzorging van de dieren geregistreerd?
A
In het verzorgingsplan
B
Op de hokkaart
C
In het logboek

Slide 12 - Quizvraag

Behandelingen die je dagelijks uitvoert kun je het beste alleen in het logboek bijhouden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 13 - Quizvraag

Wat hoef je NIET perse te noteren in het logboek?
A
Waar het dier zich bevindt
B
Om welk dier het gaat
C
Wat het geslacht van het dier is
D
Hoe oud het dier is

Slide 14 - Quizvraag

In de Wet dieren artikel 1.3 Intrinsieke waarde staat dat dieren zijn gevrijwaard door?
A
Vier grondrechten van dierenbescherming
B
De tien geboden voor verantwoord huisdierenbezit
C
De vijf vrijheden van dierenwelzijn

Slide 15 - Quizvraag

Het is toegestaan om met dieren te fokken die een bepaalde aandoening hebben.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quizvraag

Het is toegestaan om in een jaar drie nesten met kittens te fokken met dezelfde moederpoes.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 17 - Quizvraag

Als professionele dieropvang moet je aan bepaalde eisen voldoen. Welke eis geldt NIET?
A
Bewijs van vakbekwaamheid
B
Ingeschreven staan bij de KVK
C
Jaarlijkse bezoek door de dierenbescherming

Slide 18 - Quizvraag

Wat zijn de criteria om te bepalen wat dierenwelzijn is?
(Verzorgingsplan)
A
Goede voeding
B
Goede huisvesting
C
Optimaal gedrag
D
Goede gezondheid

Slide 19 - Quizvraag

Welke criteria behoort NIET onder de categorie ''goede voeding''?

A
Afwezigheid van langdurige dorst
B
Aanpassen van het dieet op basis van de persoonlijke voorkeuren van het dier
C
Juiste samenstelling van voeding
D
Afwezigheid van chronische honger of overvoeding

Slide 20 - Quizvraag

Wat valt NIET onder ''goede huisvesting''

A
Dieren kunnen vrij van ongemak bewegen
B
Beperken van het aantal uren per dag dat het dier buiten de verblijfsruimte kan bewegen
C
Klimaat in de ruimte en de luchtvochtigheid zijn afgestemd op het dier
D
Voldoende bewegingsvrijheid en een comfortabele rustplaats

Slide 21 - Quizvraag

Welke criteria vallen onder ''normaal gedrag''?
A
Expressie van sociaal gedrag
B
Het vermijden van nieuwe geuren of omgevingen
C
Het vertonen van gedragingen zoals het heen en weer draaien van het hoofd bij stress
D
Goede mens-dierrelatie

Slide 22 - Quizvraag

Onder ''goede gezondheid'' valt de exterieurverzorging (zoals het verzorgen van de vacht en de nagels).
A
Waar
B
Niet waar

Slide 23 - Quizvraag

Wat controleer je NIET DAGELIJKS bij de algemene indruk van een dier?
A
Of het dier goed heeft gegeten en gedronken
B
Of het dier parasieten heeft
C
Hoe de ontlasting eruit ziet

Slide 24 - Quizvraag

Identificatie en registratie moeten altijd allebei worden gedaan.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 25 - Quizvraag

Welke van de onderstaande dieren moeten verplicht worden geidentificeerd en geregistreerd?
A
Honden
B
Katten
C
Cavia's
D
Geiten

Slide 26 - Quizvraag

Welke landcode hoort er bij een Nederlandse chip?
A
031
B
538
C
528

Slide 27 - Quizvraag

Binnen hoeveel weken moeten pups gechipt en geregistreerd zijn?
A
9 weken
B
7 weken
C
6 weken

Slide 28 - Quizvraag

''Een niet
elektronisch oormerk kan worden afgelezen met een afleesapparaat.''
A
Waar
B
Niet waar

Slide 29 - Quizvraag

Welke informatie staat er NIET in een dierenpaspoort?
A
Gegevens eigenaar
B
Uniek identificatienummer dier
C
Medische gegevens
D
Informatie over het dieet van het dier

Slide 30 - Quizvraag

Dieren mogen voor het transport niet gegeten of gedronken hebben in verband met reisziekte.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 31 - Quizvraag

Wat controleert de dierenarts als eerste als hij controleert of een dier dood is?
A
De ogen
B
De nagels
C
De hartslag

Slide 32 - Quizvraag

Op welke manier mogen dode productiedieren worden afgevoerd?
A
Destructie
B
Begraven
C
Cremeren

Slide 33 - Quizvraag

Op welke manier mogen doden paarden worden afgevoerd?
A
Destructie
B
Begraven
C
Cremeren

Slide 34 - Quizvraag

Dode dieren mogen overal worden begraven, zolang het maar voldoende diep gebeurt.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 35 - Quizvraag

Wat staat er in de Wet dieren over de opvang van zieke dieren?
A
Dat het bedrijf moet beschikken over drie ruimten voor de opvang van zieke dieren.
B
Dat het bedrijf zieke dieren altijd direct apart moet zetten
C
Dat het bedrijf moet beschikken over ten minste één medisch geschoolde medewerker.

Slide 36 - Quizvraag

Welke dieren moet je in de quarantaineruimte plaatsen?
A
Zieke dieren die al langere tijd op het bedrijf verblijven
B
Nieuw binnengebrachte dieren
C
Dieren met een besmettelijke ziekte

Slide 37 - Quizvraag

Welke ziekten en aandoeningen kun je zelf behandelen?
A
Infectieziekten veroorzaakt door parasieten
B
Schimmelinfectie van de huid
C
Oppervlakkige verwondingen
D
Diarree

Slide 38 - Quizvraag

“Een patiëntenkaart is een voorbeeld van een logboek voor een ziek dier.”
A
Juist
B
Onjuist

Slide 39 - Quizvraag