3H - oefenen H5 + H7 deel 2

"Waar wil je meer uitleg over?"
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

"Waar wil je meer uitleg over?"

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Is er hier sprake van een lineair verband?


B=20t+72
A
Ja
B
Nee

Slide 3 - Quizvraag

In welke tabel is er geen lineair verband?
A
Tabel A
B
Tabel B
C
Tabel C
D
In elke tabel zit een lineair verband

Slide 4 - Quizvraag


Is deze grafiek recht evenredig?
A
JA
B
NEE

Slide 5 - Quizvraag


Is deze 
tabel 
recht evenredig?
A
JA
B
NEE

Slide 6 - Quizvraag

Welke tabel hoort bij een
recht evenredig verband?
A
Tabel A
B
Tabel B
C
Geen van beide
D
Allebei

Slide 7 - Quizvraag

Is dit een recht evenredig verband?
A
Ja
B
Nee

Slide 8 - Quizvraag

Asymptoot

Slide 9 - Tekstslide

Hoe vind je de asymptoten?
Verticale asymptoot:  x = .....         Welk getal voor x bestaat niet? 
Horizontale asymptoot: y = ....      Vul een heel groot getal in voor x.
y=x21+1

Slide 10 - Tekstslide

Hoe vind je de asymptoten?
Verticale asymptoot:  x = .....         Welk getal voor x bestaat niet? 
Verticale asymptoot in dit geval:   x = 2
Horizontale asymptoot: y = ....      Vul een heel groot getal in voor x.
Horizontale asymptoot in dit geval:  y = 1
y=x21+1

Slide 11 - Tekstslide

Wat is de verticale asymptoot?

Slide 12 - Open vraag

Wat is de horizontale asymptoot?

Slide 13 - Open vraag

Wat is de horizontale asymptoot?

Slide 14 - Open vraag

Wat is de verticale asymptoot?

Slide 15 - Open vraag

Wat is de verticale asymptoot?

Slide 16 - Open vraag

Eigenschappen
1. Wortel uit een negatief getal bestaat niet
2. Formule heeft een randpunt

Wat moet je kunnen:
1. Randpunt berekenen

Slide 17 - Tekstslide

Randpunt berekenen
1. Stel de uitdrukking onder de wortel gelijk aan 0
2. Bereken de X
3. Voer de X in de formule in om de Y te berekenen.
4. Schrijf de coördinaten op

Slide 18 - Tekstslide

Gegeven is de formule:

Wat is het randpunt?
y=1+2x+3
A
(3, -1)
B
(3, 1)
C
(-3, -1)
D
(2, 3)

Slide 19 - Quizvraag



In de formule                              is de coördinaat van het randpunt .........................
y=2x3+4
A
(2,3)
B
(3,4)
C
(3,4)
D
(0,4)

Slide 20 - Quizvraag

Geef de coördinaten van het randpunt bij de formule
y=(x+6)
A
(-6,0)
B
(0,6)
C
(0,-6)
D
(6,0)

Slide 21 - Quizvraag

Geef het randpunt van de wortelformule
y=x2
A
(0,-2)
B
(-2,2)
C
(2,0)
D
(-2,0)

Slide 22 - Quizvraag

Wat is de amplitude?
A
10 meter
B
5 meter
C
3 seconden
D
6 seconden

Slide 23 - Quizvraag

Wat is de amplitude?

Slide 24 - Open vraag

Wat is de evenwichtsstand?
A
18m
B
45 seconden
C
90 seconden
D
9m

Slide 25 - Quizvraag


Wat is de evenwichtsstand?

Slide 26 - Open vraag


Wat zijn de periode, de evenwichtsstand en de amplitude van de periodieke beweging hiernaast?
A
Periode = 5 Evenwichtsstand = 4,5 Amplitude = 3
B
Periode = 5 Evenwichtsstand = 7,5 Amplitude = 3
C
Periode = 5 Evenwichtsstand = 4,5 Amplitude = 6
D
Periode = 2,5 Evenwichtsstand = 4,5 Amplitude = 3

Slide 27 - Quizvraag

Wat is de periode?
A
0,5
B
1
C
4
D
8

Slide 28 - Quizvraag

Bij welk verband
hoort deze formule
A
Lineair verband
B
Kwadratisch verband
C
Wortel verband
D
Exponentieel verband

Slide 29 - Quizvraag

Welk verband hoort bij de tabel?

A
Kwadratisch verband
B
Wortelverband
C
Lineair verband
D
Periodiek verband

Slide 30 - Quizvraag

Is deze tabel een kwadratisch verband?
A
ja
B
nee

Slide 31 - Quizvraag


x
-2
-1
0
1
2
y
5
2
1
2
5
A
Kwadratisch verband
B
Lineair verband
C
Wortelverband
D
Geen verband

Slide 32 - Quizvraag


A
machtsverband
B
Kwadratisch verband
C
lineaire verband
D
Wortelverband

Slide 33 - Quizvraag

De verschilformule van deze formules b = 12t + 50
30 + 8t = b
A
4t + 50 = b
B
b = 20t + 20
C
b = 20t + 4
D
b = 4t + 20

Slide 34 - Quizvraag

Maak van de 2 formules een verschilformule.
A: y = 10 - 7x
B: y = 5 + 3x
Wat is de verschilformule A - B
A
y = 15 + 10x
B
y = 5 - 4x
C
y = 5 - 10x
D
y = -5 - 10x

Slide 35 - Quizvraag

Wat is de verschilformule
die hoort bij formules
A en B?
A
b = 6a + 4
B
b = 10 a + 4
C
b = -6a -4
D
b=10a2+4

Slide 36 - Quizvraag

Machtsformule met een even macht. 

Machtsformule met een oneven macht. 

Slide 37 - Tekstslide

Machtsformule...
ja of nee
A
ja
B
nee

Slide 38 - Quizvraag

Machtsformule...
ja of nee
A
ja
B
nee

Slide 39 - Quizvraag