Herhalingsopdrachten

Welkom 3TL


Economie in mavo 4
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Welkom 3TL


Economie in mavo 4

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen deze les?

  • In groepjes
  • Ga ja aan de slag met het maken van de herhalingsopdrachten van paragraaf 1.1 en 1.2 

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
1.3
Wat weet je nog van...

  • ... welke conclusie(s) je uit een begroting kunt trekken
  • ... welke verschillende soorten inkomen er zijn
  • ... hoe je gezinsuitgaven in 3 groepen kunt verdelen
  • ... hoe je een bedrag van week naar maand kunt omrekenen en andersom 
  • ...hoe je een reservering kunt berekenen

Slide 3 - Tekstslide

Bespreken vragen 1.3

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelen
1.4
Na deze les kun je...

  • ... een verandering in procenten berekenen.
  • ... uitleggen wat de gevolgen van inflatie zijn voor je koopkracht.
  • ... met indexcijfers de veranderingen van lonen en prijzen vergelijken.
  • ... berekeningen maken met behulp van indexcijfers

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Link

CBS = Centraal Bureau voor de statistiek
  • verzameld allerlei gegevens 
  • berekenen elke maand of prijzen dalen (deflatie  of stijgen (inflatie)
1.4 Wordt alles duurder?

Slide 7 - Tekstslide

Koopkracht
Koopkracht?
  • de hoeveelheid goederen en diensten die je met je inkomen kunt kopen
  • kun je altijd meer kopen als je inkomen stijgt????

Slide 8 - Tekstslide

Inflatie
CBS berekend:
  • Inflatie
  • een algemene stijging van de prijzen (-> je kunt minder kopen met hetzelfde geld)
  • Deflatie
  • een algemene daling van de prijzen

Slide 9 - Tekstslide

Inkomensstijging > prijsstijging
Koopkracht neemt toe
Inkomensstijging < prijsstijging
Koopkracht neemt af

Slide 10 - Tekstslide

  • Stel, de prijzen stijgen met 2%
  • Wat gebeurt er dan met je koopkracht?
  • Vervolgens stijgt je loon met 4%
  • Wat gebeurt er dan met je koopkracht?

Slide 11 - Tekstslide

Daling of stijging berekenen in percentages
Om vergelijkingen te kunnen maken, moet je stijgingen en dalingen in percentages kunnen berekenen.

Hoe doe je dat dan?

Slide 12 - Tekstslide

Hoe?
Om vergelijkingen te kunnen maken, moet je stijgingen en dalingen in percentages kunnen berekenen.
  • Procentuele verandering:
oud(nieuwoud)100

Slide 13 - Tekstslide

Voorbeel
  • In 2000 kostte een brood gemiddeld € 1,02.           In 2016 kostte een brood gemiddeld € 1,17.
  • Met hoeveel procent is de prijs van brood toegenomen?
  • Nieuw - Oud : Oud x 100%
  • 1,17 -1,02 = 0,15 : 1,02 = 0,147058823 x 100% = 14,7%

Slide 14 - Tekstslide

Maken opgave 3

Klaar
Opgave 2 + 4 t/m 8
timer
8:00

Slide 15 - Tekstslide

Indexcijfers
Cijfers kun je vergelijken door te werken met indexcijfers
  • -> laat een procentuele verandering zien ten opzichte van een afgesproken periode (=het basisjaar).
  • Cijfers worden vergeleken t.o.v. een basisjaar. 
  • Het indexcijfer van het basisjaar is ALTIJD 100 !!.

Slide 16 - Tekstslide

Hoe te berekenen?
Indexcijfer berekenen:

  • Met een formule
  • Met een verhoudingstabel
Indexcijfer=getal.basisjaarnieuw.getal100

Slide 17 - Tekstslide

  • Wat is het basisjaar? Waarom?
  • Was er in 2016 sprake van inflatie of deflatie?
  • Is in 2017 de koopkracht gestegen of gedaald tov het basisjaar?
Voorbeeld

Slide 18 - Tekstslide

Aan de slag

Maak de opdracht 1 tot en met 11
van paragraaf 1.4

Slide 19 - Tekstslide

Maken opgave 2 t/m 11

Klaar?
Rekenopgaves:
1 t/m 14
BLZ 32

Slide 20 - Tekstslide

Heb je je leerdoelen behaald

  • ... een verandering in procenten berekenen.
  • ... uitleggen wat de gevolgen van inflatie zijn voor je koopkracht.
  • ... met indexcijfers de veranderingen van lonen en prijzen vergelijken.
  • ... berekeningen maken met behulp van indexcijfers

Slide 21 - Tekstslide

CBS: ... voor derde maand op rij.
In maart was de prijsstijging voor consumenten nog 0,4%. De prijzen zijn vanaf februari iedere maand 0,2% meer toegenomen. Dit maakt het CBS vandaag bekend.
Welk woord moet op de ... komen?
A
inflatie
B
deflatie
C
koopkracht
D
prijsindexcijfer

Slide 22 - Quizvraag

Wanneer de lonen stijgen met 4%, maar de prijzen stijgen met 3%, dan neemt mijn koopkracht...
A
af met 3%.
B
toe met 3%.
C
af met 1%.
D
toe met 1%

Slide 23 - Quizvraag

Margo kreeg vorig jaar €75 kleedgeld per maand. Sinds dit jaar krijgt zij €85 kleedgeld per maand. Bereken de procentuele toename.
A
13,3%
B
13,5%
C
11,7%
D
11,8%

Slide 24 - Quizvraag

Wanneer er deflatie is, kan ik voor hetzelfde geld....
A
minder kopen.
B
meer kopen.

Slide 25 - Quizvraag

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Link

Volgende les:
Indexcijfers

Slide 28 - Tekstslide