Chemisch evenwicht (Scheikunde vwo), les 2: Examentraining

Oplossingen van kobaltverbindingen: roze, blauw en groen (publiek domein)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT

Examentraining

Chemisch evenwicht: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen: evenwichtsvoorwaarde opstellen, Q berekenen en vergelijken met K, een verschuiving verklaren en temperatuur en katalysator. Acht vragen in examenstijl met context, stappenplan en tips. Docent: de K-waarden in de vragen zijn gegevens, zoals op het examen.

Onderdelen in deze les

Oplossingen van kobaltverbindingen: roze, blauw en groen (publiek domein)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT

Examentraining

Chemisch evenwicht: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Chemicalinterest / Wikimedia Commons, publiek domein

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT

Wat ga je kunnen?

Ik kan een evenwichtsvoorwaarde opstellen, Q en K vergelijken, een verschuiving verklaren en de rol van temperatuur en katalysator toelichten.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welk evenwicht, welke toestanden, welke gegevens (K, concentraties, verandering)?

  • 2. Schrijf Q: producten boven, beginstoffen onder, coëfficiënten als machten, geen vaste stoffen of water als oplosmiddel.

  • 3. Vergelijk: Q met K: bij Q < K verloopt de heenreactie, bij Q > K de terugreactie.

  • 4. Verklaar: noem wat er verandert (concentratie, volume, temperatuur of katalysator) en wat dat met Q of K doet.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT

Vraagtype 1: evenwichtsvoorwaarde

  • Q = producten boven, beginstoffen onder; elke concentratie tot de macht van de coëfficiënt.

  • Laat zuivere vaste stoffen (s) en water als oplosmiddel weg, ook als ze rechts staan.

  • Gassen (g) en opgeloste stoffen (aq) komen wel in Q.

  • De evenwichtsvoorwaarde is Q = K: schrijf Q uit en zet K ervoor.

Deze slide heeft geen instructies

Welke Q hoort bij CH₄(g) + H₂O(g) ⇌ CO(g) + 3 H₂(g)?

A

[CO][H₂]³ / ([CH₄][H₂O])

B

[CO][H₂] / ([CH₄][H₂O])

C

[CH₄][H₂O] / ([CO][H₂]³)

D

[CO][H₂]³ / [CH₄]

Syllabus R&A1.6. Nagerekend: C 1 = 1, O 1 = 1, H 4 + 2 = 6 = 6, klopt. Alle stoffen zijn gassen en staan in Q; H₂ heeft coëfficiënt 3. Verwachte fouten: de 3 vergeten, de breuk omdraaien, water weglaten omdat het water is (hier is het een gas).

Geef Q: Fe₃O₄(s) + 4 H₂(g) ⇌ 3 Fe(s) + 4 H₂O(g)

Goed antwoord: Q = [H₂O]⁴ / [H₂]⁴. Nagerekend: Fe 3 = 3, O 4 = 4, H 8 = 8, klopt. De vaste stoffen Fe₃O₄ en Fe staan niet in Q; H₂O is hier een gas en staat er wel in. Verwachte fout: de vaste stoffen toch in de breuk zetten. Syllabus R&A1.6.

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT

Vraagtype 2: Q berekenen en vergelijken met K

  • Reken Q uit met de gegeven concentraties in mol L⁻¹; kwadrateer of tot de macht waar de coëfficiënt dat vraagt.

  • Vergelijk Q met K: Q < K, de heenreactie verloopt; Q > K, de terugreactie verloopt.

  • Noem welke stof toeneemt en welke afneemt.

  • Rond af op evenveel significante cijfers als het gegeven met de minste.

Deze slide heeft geen instructies

N₂O₄ ⇌ 2 NO₂, K = 4,0·10⁻³. [N₂O₄] = 0,050 en [NO₂] = 0,020 mol/L. Verloop?

A

Naar rechts: Q = 8,0·10⁻³ is groter dan K

B

Naar links: Q = 8,0·10⁻³ is groter dan K

C

Naar links: Q = 8,0·10⁻³ is kleiner dan K

D

Naar rechts: Q = 2,0·10⁻³ is kleiner dan K

Syllabus R&A1.6, R4.2. Nagerekend: Q = [NO₂]² / [N₂O₄] = (0,020)² / 0,050 = 4,0·10⁻⁴ / 0,050 = 8,0·10⁻³; dat is groter dan K = 4,0·10⁻³, dus de terugreactie verloopt (naar links, meer N₂O₄). Q zonder kwadraat: 0,020 / 0,050 = 0,40. Verwachte fouten: de richting verkeerd om, of de macht 2 vergeten. K is een gegeven in de opgave.

2 SO₂ + O₂ ⇌ 2 SO₃. [SO₂] 0,20; [O₂] 0,10; [SO₃] 0,40 mol/L. Wat is Q?

A

8,0

B

2,0·10¹

C

2,5·10⁻²

D

4,0·10¹

Syllabus R&A1.6. Nagerekend: S 2 = 2, O 4 + 2 = 6 = 6, klopt. Q = [SO₃]² / ([SO₂]²[O₂]) = (0,40)² / ((0,20)² × 0,10) = 0,16 / 0,0040 = 40, in twee significante cijfers 4,0·10¹. Afleiders: de macht 2 van [SO₂] vergeten geeft 0,16 / (0,20 × 0,10) = 8,0; alle machten vergeten geeft 0,40 / (0,20 × 0,10) = 20 (2,0·10¹); de breuk omgedraaid geeft 0,0040 / 0,16 = 0,025 (2,5·10⁻²). Waarschuw voor het verwisselen van teller en noemer en het vergeten van de coëfficiënt als macht.

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT

Vraagtype 3: een verschuiving verklaren

  • Welke grootheid verandert: een concentratie, het volume of de temperatuur?

  • Concentratie of volume: Q verandert, K niet. Temperatuur: K verandert.

  • Kijk of Q kleiner of groter wordt dan K en welke reactie dan verloopt.

  • Noem de richting en wat toeneemt of afneemt, bijvoorbeeld meer NH₃ of meer CaCO₃.

Deze slide heeft geen instructies

Bij N₂ + 3 H₂ ⇌ 2 NH₃ wordt NH₃ uit het mengsel gehaald. Wat gebeurt er?

A

Q wordt kleiner dan K, dus meer NH₃

B

Q wordt groter dan K, dus meer NH₃

C

Q wordt groter dan K, dus minder NH₃

D

K wordt kleiner, dus meer NH₃

Syllabus R4.2. NH₃ staat in de teller van Q = [NH₃]² / ([N₂][H₂]³): minder NH₃ geeft een kleinere Q, dus Q < K en de heenreactie verloopt (meer NH₃). K verandert niet, want de temperatuur verandert niet. Verwachte fouten: Q groter laten worden, of K laten veranderen.

CO₂ ontsnapt uit druipwater: Q > K of Q < K?

Evenwicht: CaCO₃(s) + CO₂(g) + H₂O(l) ⇌ Ca²⁺(aq) + 2 HCO₃⁻(aq), Q = [Ca²⁺][HCO₃⁻]² / [CO₂]. Goed antwoord: [CO₂] daalt, dus de noemer wordt kleiner en Q wordt groter dan K; de terugreactie verloopt, er ontstaat CaCO₃(s) (druipsteen). Verwachte fout: 'kleiner' kiezen doordat CO₂ links staat. Syllabus R4.2, R&A1.6.

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT

Vraagtype 4: temperatuur en katalysator

  • Temperatuur verandert K; welke kant K op gaat, staat in de gegevens.

  • Vergelijk Q (nog de oude K) met de nieuwe K en bepaal de richting.

  • Een katalysator versnelt heen en terug even sterk: alleen de insteltijd en de reactiesnelheid veranderen.

  • K, Q en de ligging blijven bij een katalysator gelijk.

Deze slide heeft geen instructies

Een evenwicht bij 300 K wordt verwarmd tot 350 K; K wordt groter. Wat volgt?

A

Q > nieuwe K: de terugreactie verloopt

B

K blijft gelijk, dus er verandert niets

C

Q < nieuwe K: de heenreactie verloopt

D

Q < nieuwe K: de terugreactie verloopt

Syllabus R4.2 (verandering in K). Bij 300 K was Q = K(300 K). Na verwarmen is K groter, Q is direct nog gelijk aan de oude K en dus kleiner dan de nieuwe K: de heenreactie verloopt tot Q = nieuwe K. Verwachte fouten: denken dat K constant is, of de richting verkeerd om koppelen aan Q < K.

Waarom een katalysator in een NH₃-fabriek?

Goed antwoord: het evenwicht N₂ + 3 H₂ ⇌ 2 NH₃ stelt zich sneller in (kortere insteltijd, grotere reactiesnelheid), zodat de fabriek per uur meer NH₃ maakt. In evenwicht komt er niet meer NH₃: K en de ligging blijven gelijk. Verwachte fout: zeggen dat de katalysator het evenwicht naar rechts verschuift of het rendement in evenwicht verhoogt. Syllabus R4.3.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Evenwichtsvoorwaarde opstellen

2

Q berekenen en vergelijken met K

3

Een verschuiving verklaren

4

Temperatuur en katalysator

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · EVENWICHT

Tips voor op het examen

  • Zet eerst Q op papier, met de coëfficiënten als machten, voordat je rekent of redeneert.

  • Laat vaste stoffen en water als oplosmiddel weg, ook als ze in de vergelijking rechts staan.

  • Verklaar een verschuiving altijd met Q en K: wat verandert er, is Q kleiner of groter dan K, welke reactie verloopt?

  • Een katalysator verandert K en de ligging nooit, alleen de insteltijd.

Deze slide heeft geen instructies