Zouten en oplosbaarheid (Scheikunde vwo), les 3: Terugblik quiz

Kristallen van het zout haliet (steenzout) (foto: James St. John, CC BY 2.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ZOUTEN

Quiz

Terugblik: Zouten en oplosbaarheid

1 / 13
volgende
Slide 1: Slide
newEditorScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik quiz met tien vragen over namen en formules van zouten, hydraten, oplossen en hydratatie, neerslag voorspellen en rekenen met mol.

Onderdelen in deze les

Kristallen van het zout haliet (steenzout) (foto: James St. John, CC BY 2.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ZOUTEN

Quiz

Terugblik: Zouten en oplosbaarheid

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: James St. John / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

Wat is de naam van PbO₂?

A

lood(II)oxide

B

lood(IV)oxide

C

lood(II)dioxide

D

dilood(IV)oxide

Syllabus M1.1, M1.10: één Pb met twee O²⁻ (4−) betekent Pb⁴⁺, dus lood(IV)oxide. Verwachte fout: lood(II)oxide kiezen of voorvoegsels gebruiken voor een zout.

Wat is de verhoudingsformule van kaliumpermanganaat?

A

K₂MnO₄

B

KMnO₃

C

KMnO₄

D

K(MnO₄)₂

Syllabus M1.1, M1.10: K⁺ (1+) met MnO₄⁻ (1−) geeft KMnO₄. Verwachte fout: K₂MnO₄ kiezen door de 2 uit O₄ of het aantal O in het ion te verwarren.

Vul in

Fe(NO₃)₃ bevat per formule-eenheid 3 NO₃⁻-ionen en één Fe³⁺-ion, samen is de lading nul.

3
Fe³⁺
1
Fe²⁺

Syllabus M1.10: de formule geeft de verhouding van de ionen en de totale lading is nul: 3 × (1−) wordt gecompenseerd door 3+, dus ijzer(III)nitraat. Verwachte fout: de index bij O aanzien voor het aantal nitraationen, of Fe²⁺ invullen.

Wat zit er in 2,0 mol van het hydraat MgSO₄·7H₂O?

A

2,0 mol Mg²⁺ en 14 mol H₂O

B

2,0 mol Mg²⁺ en 7,0 mol H₂O

C

14 mol Mg²⁺ en 14 mol H₂O

D

7,0 mol Mg²⁺ en 2,0 mol H₂O

Syllabus M1.11: per formule-eenheid één Mg²⁺ en zeven H₂O, dus 2,0 mol levert 2,0 mol Mg²⁺ en 2,0 × 7 = 14 mol H₂O. Verwachte fout: de factor 2 vergeten bij het water.

Waarom lost NaCl wel op in water en niet in hexaan?

A

Hexaan is een sterkere dipool dan water

B

Hexaan vormt geen ion-dipoolbindingen

C

Hexaan heeft geen vanderwaalsbindingen

D

Hexaan vormt geen ionbindingen met Na⁺

Syllabus M3.1, M3.9, M3.7: hexaan is apolair, dus er ontstaan geen ion-dipoolbindingen die de verbroken ionbindingen kunnen compenseren. Verwachte fout: denken dat hexaan een dipool is of dat vanderwaalsbindingen ontbreken.

Zet het voorspellen van een neerslag op volgorde

1

Noteer de ionen van beide oplossingen

2

Maak nieuwe combinaties van twee ionen

3

Schrijf de neerslagvergelijking op

4

Zoek elke combinatie op in de tabel

Syllabus M3.10: eerst de ionen, dan nieuwe combinaties, dan de tabel, daarna pas de vergelijking.

Welke combinatie van oplossingen geeft wel een neerslag?

A

MgCl₂(aq) en Na₂SO₄(aq)

B

Cu(NO₃)₂(aq) en KCl(aq)

C

BaCl₂(aq) en Mg(NO₃)₂(aq)

D

Ca(NO₃)₂(aq) en K₃PO₄(aq)

Syllabus M3.10: Ca²⁺ met PO₄³⁻ is slecht oplosbaar (Ca₃(PO₄)₂). De andere combinaties geven alleen goed oplosbare zouten (MgSO₄ en NaCl, CuCl₂ en KNO₃, Ba(NO₃)₂ en MgCl₂). Verwachte fout: de combinatie met sulfaat of chloride kiezen.

Je voegt overmaat Na₂SO₄(aq) toe aan 100 mL met 0,020 mol L⁻¹ Ba²⁺. Hoeveel mol BaSO₄?

A

2,0·10⁻³ mol

B

2,0·10⁻⁴ mol

C

4,0·10⁻³ mol

D

2,0 mol

Syllabus M3.10 met rekenstof: Ba²⁺(aq) + SO₄²⁻(aq) → BaSO₄(s), molverhouding 1 : 1. 0,100 L × 0,020 mol L⁻¹ = 2,0·10⁻³ mol (2 significante cijfers). Verwachte fouten: 100 mL niet omrekenen naar L (2,0 mol) of een verkeerde molverhouding (4,0·10⁻³ mol).

Welke oplosvergelijking hoort bij het oplossen van (NH₄)₃PO₄?

A

(NH₄)₃PO₄(s) → NH₄⁺(aq) + 3 PO₄³⁻(aq)

B

(NH₄)₃PO₄(s) → 3 NH₄⁺(aq) + 3 PO₄³⁻(aq)

C

(NH₄)₃PO₄(s) → 3 NH₄⁺(aq) + PO₄³⁻(aq)

D

(NH₄)₃PO₄(s) → (NH₄)₃⁺(aq) + PO₄³⁻(aq)

Syllabus M3.9, M1.10: (NH₄)₃PO₄ bevat drie NH₄⁺ en één PO₄³⁻. Kloppend: 3 N, 12 H, 1 P, 4 O en lading 0 = 3 × 1+ en 3−. Verwachte fout: de coëfficiënten verwisselen of de lading niet laten kloppen.

Waar zit het water in CuSO₄·5H₂O? Leg uit.

Een goed antwoord: het is kristalwater: per formule-eenheid CuSO₄ zitten 5 watermoleculen vast in het ionrooster, tussen de ionen; het kristal is niet nat en het water is geen vloeistof. Bij oplossen komt het vrij. Syllabus M1.11. Verwachte fout: denken dat het water als vloeistof in het kristal zit of dat het hydraat een oplossing is.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ZOUTEN

Goed gedaan!

Je kunt nu zouten herkennen, hun formule en naam geven, het oplossen op microniveau beschrijven en met een oplosbaarheidstabel een neerslagreactie voorspellen en opstellen. Zoek de vragen die je fout had op in les 1.

Deze slide heeft geen instructies