Natuur

Welke betekenis hoort bij het volgende woord:
Kabel
A
Een dun, buigbaar touwtje
B
Het deel van de boormachine waar je mee boort
C
Een sterk touw, vaak van metaal
1 / 11
volgende
Slide 1: Quizvraag
TechniekBasisschoolGroep 6

In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen.

Onderdelen in deze les

Welke betekenis hoort bij het volgende woord:
Kabel
A
Een dun, buigbaar touwtje
B
Het deel van de boormachine waar je mee boort
C
Een sterk touw, vaak van metaal

Slide 1 - Quizvraag

Welke betekenis hoort bij het volgende woord:
De scheepswerf
A
Een plaats waar schepen worden gebouwd
B
Een plaats waar schepen niet mogen komen
C
Een plaats waar schepen worden verhandeld

Slide 2 - Quizvraag

In welke apparaten zitten tandwielen?
A
Blikopener
B
Auto
C
Fiets
D
Alle antwoorden zijn goed

Slide 3 - Quizvraag

Hoe draaien tandwielen die tegen elkaar aan zitten?
A
Dezelfde kant op
B
De tegengestelde (andere) kant op

Slide 4 - Quizvraag

Waaruit bestaat een tandwiel?
A
Tanden
B
As
C
Een as en tanden

Slide 5 - Quizvraag

Maak de volgende zin af:
Ik kies een groot tandwiel achter, dan heb ik een.....
A
Grote versnelling en trap ik zwaar
B
Kleine versnelling en trap ik zwaar
C
Grote versnelling en trap ik licht
D
Kleine versnelling en trap ik licht

Slide 6 - Quizvraag

Maak de volgende zin af:
Ik heb een klein tandwiel achter, dan heb ik een....
A
Grote versnelling en trap ik zwaar
B
Kleine versnelling en trap ik zwaar
C
Grote versnelling en trap ik licht
D
Kleine versnelling en trap ik licht

Slide 7 - Quizvraag

Een kleine versnelling is handig om:

Slide 8 - Open vraag

Een grote versnelling is handig om:

Slide 9 - Open vraag

Welke machines vergroten kracht?
A
Lier, betonmolen, slagroomklopper
B
Lier, betonmolen, handboor
C
Betonmolen, hijskraan, handboor
D
Betonmolen, hijskraan, lier

Slide 10 - Quizvraag

Welke machines vergroten snelheid?
A
Lier, slagroomklopper
B
Lier, handboor
C
Slagroomklopper, handboor
D
Hijskraan, handboor

Slide 11 - Quizvraag