4V 2.1 dl2 + 2.2 Cellen dl1

2.2: Cellen
Deze les:
- Levenskenmerken
- Stamcellen/Celdifferentiatie
- Bespreken huiswerk 2.1 
- Instaptoets Cellen (socrative)
- Celorganellen
- 2.2 opdrachten
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

2.2: Cellen
Deze les:
- Levenskenmerken
- Stamcellen/Celdifferentiatie
- Bespreken huiswerk 2.1 
- Instaptoets Cellen (socrative)
- Celorganellen
- 2.2 opdrachten

Slide 1 - Tekstslide

Het eerste leven op aarde:

Slide 2 - Tekstslide

Kenmerken van leven

Levenskenmerken: 
- Opgebouwd uit 1 of meer cellen
- Beweging
- Groei en ontwikkeling
- Voortplanting (reproductie)
- Stofwisseling (opnemen, omzetten en afgeven van stoffen)
- Waarnemen van en reageren op prikkels (veranderingen in de omgeving)
- Erfelijk materiaal



Slide 3 - Tekstslide

Een hele bijzondere ontdekking dit jaar!

 Lees het artikel uit de volkskrant. Wat maakt de vondst van deze reuzenbacterie zo bijzonder?

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

Oppervlakte/ inhoud
Een cel kan niet zo groot zijn omdat anders de oppervlakte (nodig voor stofwisseling) te klein wordt t.o.v. de inhoud.

Slide 6 - Tekstslide

Waarom is een eencellige beperkt in grootte?

- Grotere cel -->  verhouding tussen oppervlakte en volume kleiner, want volumetoename (^3) is groter t.o.v. oppervlaktetoename (^2).
- Grotere cel heeft meer voedingstoffen en zuurstof nodig voor celprocessen
- Stofwisseling vindt plaats via de celmembraan, maar door het kleinere oppervlak van de celmembraan in verhouding tot de inhoud is stofwisseling te langzaam. 


Slide 7 - Tekstslide

Zoogdieren verliezen veel warmte via de huid. Ten opzichte van bruine beren zijn ijsberen daarom...
A
Groter
B
Kleiner

Slide 8 - Quizvraag

Ontstaan van meercelligen
Nodig?

- Cellen werken samen om elke cel van zuurstof en voedingsstoffen te voorzien
- Gespecialiseerde cellen vormen weefsels en organen zoals darmen en longen met een groot oppervlak voor de uitwisseling van stoffen. 
- Transportsysteem, zoals het bloedvatenstelsel, zorgt voor vervoer van stoffen van en naar alle cellen in een meercellig organisme. 

Slide 9 - Tekstslide

Eicel tot organisme
Stamcel -> gespecialiseerde cellen.

Slide 10 - Tekstslide

Stamcellen
Unipotente stamcellen

Pluripotente stamcellen

Omnipotente stamcellen
(vroege embryonale ontwikkeling)

Slide 11 - Tekstslide

Celdifferentiatie
Gespecialiseerde cellen ontstaan door celdifferentiatie.

Celdifferentiatie ontstaat doordat in verschillende cellen verschillende eiwitten worden gemaakt.

Slide 12 - Tekstslide

Cellen/ suikerziekte
Eilandjes van langerhans: gespecialiseerde cellen in de alvleesklier die insuline maken (nodig voor de regeling van de glucose concentratie in het bloed).
Bij mensen met Diabetes type 1 zijn deze cellen beschadigd en maken dus geen insuline meer aan.

Slide 13 - Tekstslide

Cellen/ suikerziekte
Oplossingen:
  • Insuline spuiten
  • Weefseltransplantatie (eilandjes van langerhans)
  • Orgaantransplantatie (alvleesklier)
  • Stamceltransplantatie

Slide 14 - Tekstslide

Orgaan
Weefsel
Cel
Organel
Molecuul
Insuline spuiten
Alvleesklier transplantatie
EvL transplantatie
Stamcel transplantatie

Slide 15 - Sleepvraag

Huiswerk bespreken
(2.1 opdr. 12, 13, 17, 20 en 21)
Welke opdracht(en) lastig?

Slide 16 - Woordweb

Leerdoelen en begrippen check
Leerdoelen/Begrippen check in tweetallen --> 
Overhoor elkaar!

Vragen? Stel ze :)

Klaar? Lees/bestudeer 2.2 blz. 52 + 53

timer
5:00

Slide 17 - Tekstslide

2.1 Leerdoelen en Begrippen
Leerdoel 1: Je herkent de biologische organisatieniveaus.
Leerdoel 2: Je herkent emergente eigenschappen.
Leerdoel 3: Je herkent de levenskenmerken.
Leerdoel 4: Je legt uit hoe artsen stamcelkweek gebruiken voor medische toepassingen
Leerdoel 5: Je legt het verband uit tussen de toename van het oppervlak en het volume bij een organisme

Begrippen:
Moleculen, Cellen, Organisme, Organisatieniveau's, Organellen, Emergente eigenschap, Levenskenmerken, Stamcellen, Typen stamcellen, Celdifferentiatie

Slide 18 - Tekstslide

Instaptoets Cellen
Ga via de link in de volgende slide naar Socrative voor: 
Instaptoets Nectar H2 Cellen

Room Name: TNDBIO

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Link

2.2 Leerdoelen en begrippen
6. Je benoemt en herkent de functies van de onderdelen van een menselijke en dierlijke cel
7. Je benoemt en herkent de functies van de onderdelen van een plantaardige cel
8. Je benoemt op celniveau de eigenschappen van planten, dieren, schimmels en bacteriën

Cytoplasma, Grondplasma, Celkern, Kernlichaampje, Kernporie, DNA-moleculen, Eukaryoten, Ribosoom, (ruw) Endoplasmatisch reticulum (ER), Transportblaasje, Golgisysteem, Mitochondrium, Lysosoom, Cytoskelet, Structuureiwitten, Centriolen, Celwand, Vacuole, Chloroplasten, Chromoplasten, Amyloplasten, Plastiden, Bacterie, Prokaryoten, Plasmiden, Cirkelvormig Chromosoom, Kapsel, Flagellen.

Slide 21 - Tekstslide

Cellen
- Meer dan celkern, cytoplasma en celmembraan!
- Maken eiwitten, stoffen betrokken zijn bij alle levensprocessen. 

Waar in de cel ligt de bouwinstructie voor het maken van eiwitten?

Slide 22 - Tekstslide

Leer/bestudeer 2.2 Menselijke en Dierlijke cellen + bron 7
Menselijke en dierlijke cellen
timer
10:00

Slide 23 - Tekstslide

Welk team kent de meeste 
organellen al uit het hoofd?

- doe jullie Boeken, BINAS en Chromebook DICHT!
- Maak een groep van 3 of 4 leerlingen
- Pak een poster
- Teken een dierlijke cel met daarin zoveel organellen, hun namen en de functies die jullie je samen nog herinneren.

Klaar? Docent checkt! 
--> Welke groep heeft de meeste goed?

timer
15:00

Slide 24 - Tekstslide

     Bestudeer nog eens bron 7 en probeer het nu alleen :)

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Link

Zelfstandig (Huiswerk):
Via Nectar digitaal:
- Maak 2.2 opdr. 24 t/m 27 (route B)
- Leren celorganellen Dier (bron 7)
- Bekijk Film Cell Structure + kijkvragen (via LessonUp)




Slide 27 - Tekstslide