1. Start: Eén leerling begint met een zin, bijvoorbeeld: “Er was eens een hond die…”
2. Associatie: De volgende leerling moet een woord of idee toevoegen dat associatief aansluit op het vorige. Bijvoorbeeld: “…die heel graag pizza at.”
3. Improvisatie: Elke leerling voegt een zin toe en mag er een gekke wending aan geven. Hoe onverwachter, hoe beter!
4. Extra uitdaging: ○ Gooi een dobbelsteen:
■ 1-2: Voeg een voorwerp toe.
■ 3-4: Voeg een emotie toe.
■ 5-6: Voeg een actie toe.
○ Of trek een kaartje en verwerk dat in je zin.
5. Afronding: Na een paar rondes hebben jullie een grappig, creatief verhaal. Bespreek samen:
○ Welke associaties waren verrassend?
○ Hoe voelde het om te improviseren?