§ 3.2 fase van water'

Hoofdstuk 3: Water
1. Soorten water
2. Fasen van water
3. Smeltpunt en kookpunt 
4. Water als oplosmiddel
5.  Stoffen scheiden
6. Drinkwater maken 

1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 3: Water
1. Soorten water
2. Fasen van water
3. Smeltpunt en kookpunt 
4. Water als oplosmiddel
5.  Stoffen scheiden
6. Drinkwater maken 

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

§ 3.1 Soorten water
Water is onmisbaar. Mensen, dieren en planten kunnen niet leven zonder water. 

Slide 2 - Tekstslide

Waar hebben planten water voor nodig? 

Vandaag
§ 3.2 fasen van water

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

§ 3.2 Fasen van water

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoel
Ik kan de fasen van water benoemen en uitleggen hoe water kan bevriezen, smelten, verdampen en condenseren.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Fasen van water
Welke drie fasen zijn er? 

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Let op: Waterdamp zelf is niet zichtbaar. 
Vast
Vloeibaar
Gas

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Smelten
Een vaste stof word een vloeistof.

Chocola smelten. 

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stollen
Een vloeistof wordt een vaste stof. 
Ook wel bevriezen (water). 

Denk aan kaarsvet! Als een kaarsje afkoelt, wordt het weer vast. 

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verdampen
Een vloeistof wordt een gas!

(Let op, stoom wat je ziet is geen waterdamp!) 

Parfum is ook een mooi voorbeeld.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Condenseren
Een gas wordt vloeistof!


Denk aan de spiegel in de badkamer als je gedoucht hebt

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke fase-overgang zie je als het vriest?
A
ijs wordt water
B
water wordt ijs

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoveel fase-overgangen zijn er ?
A
2
B
6
C
4
D
5

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heeft de fase overgang van vast naar vloeibaar?
A
smelten
B
stollen
C
verdampen
D
condenseren

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heet de overgang van de vaste fase naar de gasfase?
A
sublimeren
B
vervluchtigen
C
condenseren
D
rijpen

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
Online maken en leren opdracht 1 t/m 14
Lees eerst de tekst, maak dan de vragen. 
Ieder voor zich, fluisteren mag.
Hulp nodig? Vraag je docent
Klaar? § 3.3 doorlezen

(Niet af? Huiswerk)




timer
14:00
Lesdoel: Ik kan de fasen van water benoemen en uitleggen hoe water kan bevriezen, smelten, verdampen en condenseren.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn de drie fasen?
timer
0:30

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Noem 3 vormen van neerslag. Geef ook aan in welke fase de neerslag is.
timer
0:30

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke soort van neerslag is dit?
A
Dauw
B
Rijp
C
Ijzel

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke soort van neerslag is dit?
A
Dauw
B
Rijp
C
Ijzel

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Je kunt de drie fasen van water benoemen. 
Je kunt beschrijven wat er gebeurt als water bevriest (stolt) of ijs smelt. 
Je kunt beschrijven wat er gebeurt als water verdampt of condenseert. 
Je kunt beschrijven wat stoom is. 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

§ 3.3 Smeltpunt en kookpunt

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

§ 3.3 Smeltpunt en kookpunt

  • Uitleg § 3.3
  • Zelfstandig werken   

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onthouden! § 3.2
De fase is de toestand van de stof op dat moment.
Er zijn drie fasen: vast, vloeibaar en gas.
Bij een fase-verandering verandert de fase van een stof.
De vier fase-veranderingen zijn:
smelten: veranderen van vast naar vloeibaar
stollen: veranderen van vloeibaar naar vast
verdampen: veranderen van vloeibaar naar gas
condenseren: veranderen van gas naar vloeibaar

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen 
  • Je kunt uitleggen waarvoor je een thermometer gebruikt.
  • Je kunt de eenheid van temperatuur noemen.
  • Je kunt de onderdelen van een vloeistofthermometer benoemen en uitleggen hoe een vloeistofthermometer werkt.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Thermometers


Soms wil je de temperatuur precies weten. Je gebruikt dan een thermometer. Met een thermometer meet je de temperatuur.

Er zijn verschillende soorten thermometers (afbeelding 1).
Een koortsthermometer meet de temperatuur tussen 36 en 42 graden Celsius.
Een oventhermometer meet tot wel 300 graden Celsius.
Een buitenthermometer meet tussen - 40 en 50 graden Celsius. 

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Celsius

De weervrouw op televisie zegt: “Het wordt morgen 18 graden.” Bij natuurkunde zeg je: “Het wordt morgen 18 graden Celsius.” Graden Celsius is de eenheid van temperatuur. Je mag graden Celsius afkorten met °C. Bijvoorbeeld: het is 18 °C.
Graden Celsius komt van een wetenschapper uit de achttiende eeuw. De achternaam van die wetenschapper was Celsius. Hij maakte als eerste een thermometer van 0 tot 100 graden. Daarom noem je de eenheid van temperatuur nu graden Celsius.

Afbeelding 2: Een thermometer heeft een stijgbuis en een vloeistofreservoir.

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

aan de slag
online mk opdracht 1 tm 7
Lees eerst de tekst, maak dan de vragen. 
Ieder voor zich, fluisteren mag.
Hulp nodig? Vraag je docent
timer
5:00

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  • Je kunt beschrijven welke temperatuur het smeltpunt en vriespunt van water hebben.
  • Je kunt uitleggen waarom het smeltpunt en vriespunt voor water hetzelfde zijn.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kookpunt
  • Temperatuur waarbij een stof gaat verdampen
  •  Voor water: 100 °C 
  • Stofeigenschap

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Smeltpunt/vriespunt
  • Temperatuur waarbij water smelt/bevriest.
  • Vriespunt water = 0  °C
  • Stofeigenschap

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
Online maken opdracht 1 tm 12
Lees eerst de tekst, maak dan de vragen. 
Ieder voor zich, fluisteren mag.
Hulp nodig? Vraag je docent

Klaar? § 3.1 en § 3.2 ook? Even iets voor jezelf doen.
Niet af? Huiswerk

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onthouden !
Temperatuur meet je met een thermometer.

Een vloeistofthermometer bestaat uit:
• een stijgbuis met daarnaast een schaalverdeling;
• een reservoir.
De eenheid van temperatuur is graden Celsius (°C).
De temperatuur van smeltend ijs is 0 °C.
De temperatuur van kokend water is 100 °C.
Het smeltpunt van water is 0 °C.
Het smeltpunt van water en het vriespunt van water zijn hetzelfde (0 °C).
Het kookpunt van water is 100 °C.



Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
online mk en lr § 3.3 opdr 1 tm 12 

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies