cross

7. Economische ontwikkelingen

7.Economische ontwikkeling 
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

7.Economische ontwikkeling 

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen 
BK 
• Je kent het verschil tussen landbouw, industrie en diensten.
• Je kunt met het soort werk wat mensen doen bepalen hoe ontwikkeld een land is.

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
KB - TH
• Je kent het verschil tussen landbouw, industrie en diensten.
• Je begrijpt de relatie tussen de ontwikkeling van een land en het soort werk dat mensen doen.
HV
• Je kunt de ontwikkeling van de Nederlandse beroepsbevolking beschrijven.

Slide 3 - Tekstslide

Beroepsbevolking 
Beroepsbevolking = de groep mensen in een land die betaald werk heeft of er naar zoekt (15 en 65 jaar). 
  1. landbouw (akkerbouw, veeteelt en visserij) =  primaire sector 
  2. industrie (producten maken uit grondstoffen) = secundaire sector 
  3. diensten (iets doen voor een ander) = tertiaire sector 

Slide 4 - Tekstslide

dokter
fruitteler
pottenbakker

schaapsherder
sigarenmaker
telefonist
visser
wever

Slide 5 - Sleepvraag

Beroepsbevolking in rijke landen
Mensen maken veel gebruik van diensten. We verdienen geld genoeg om andere mensen het werk te laten doen. 
In rijke landen is de dienstensector het grootst. 
Wat heb je hiervoor nodig:
  • goed onderwijs
  • geld voor innovaties/nieuwe ideeën 

Slide 6 - Tekstslide

Maar vroeger waren we arm
Toen werkten veel meer mensen in de landbouw. 
  • We waren nog niet allemaal hoog opgeleid.
  • We verdienden nog niet heel veel geld
  • Deden heel veel zelf


Slide 7 - Tekstslide

Veel landbouw, maar 31% diensten
Weinig landbouw, 82% diensten

Slide 8 - Tekstslide

Beroepsbevolking armste landen
Grootste deel bevolking werkt in de landbouw
  • Landbouwbedrijven zijn klein en zelfvoorzienend.
  • Zelfvoorzienend = opbrengst alleen bedoeld om zelf te kunnen leven.
  • Er zijn ook grote commerciele bedrijven --> van rijke bedrijven in het buitenland, voor de export 

Slide 9 - Tekstslide

Informele sector
Lijkt op werken in de dienstensector, maar dat is het niet. 
Kenmerken:
  • geen opleiding nodig
  • geen vergunning voor gegeven
  • vluchtsector 
  • geen machines
  • hard werken voor een beetje €
  • ziek = geen €

Slide 10 - Tekstslide

Verandering in de beroepsbevolking
Als een land zich gaat ontwikkelen, verandert de verdeling van de beroepsbevolking. 
Dit moet je kunnen uitleggen. 

Slide 11 - Tekstslide

Stap 1
Zelfverzorgende landbouw. Geen geld en technologie om grondstoffen te verwerken of om industrie en diensten te ontwikkelen.
Stap 2
Een land heeft hulp van buitenaf nodig om in deze fase te komen. Er vindt export van landbouwproducten plaats en commerciële landbouw. Er wordt een begin gemaakt met de aanleg van wegen. Er komt industrie. De levensstandaard van de bevolking verbetert.

Slide 12 - Tekstslide

Stap 3
Door technologische ontwikkeling en de beschikbaarheid van kapitaal groeit de industrie snel. Er wordt steeds meer geïnvesteerd in transport en diensten. Economische groei vindt plaats in meerdere delen van het land. Er is sprake van een uitgebreid transportnetwerk. Er zijn kerngebieden waar de ontwikkeling sneller gaat, meestal de hoofdstad of havensteden. Er zijn gebieden waar de ontwikkeling achterblijft.
Stap 4
De industrie neemt af, maar er is een snelle groei van de diensten te zien. De levensstandaard verbetert nog meer.

Slide 13 - Tekstslide

Kapitaalintensief 
Wat is kapitaal? 
- je hebt geld nodig om kapitaal (bedrijven en machines) te kunnen kopen
Welke landen zijn kapitaalintensief? --> Westerse landen, waaronder Nederland

Slide 14 - Tekstslide

Arbeidsintensief 
Werk waarbij veel arbeid gevraagd wordt. Of veel arbeiders nodig zijn. 
Welke landen zijn arbeidsintensief? --> Arme landen, waarbij nog veel in de landbouw en industrie wordt gewerkt.
Welke sector(en) zijn arbeidsintensief?

Slide 15 - Tekstslide

Kapitaalintensief vs Arbeidsintensief
Kapitaalintensief
Arbeidsintensief
Kapitaalintensief bedrijf:
Een bedrijf waarin machines het grootste deel van de productie verzorgen.
Arbeidsintensief bedrijf:
Een bedrijf waarin mensen het grootste deel van de productie doen.

Slide 16 - Tekstslide

Oefenen met vragen
Belangrijk is dat je hier luistert naar wat ik zeg, ik leg namelijk kort uit welk niveau welke vragen moet maken.

Slide 17 - Tekstslide

Hoe produceert een timmerman?
A
arbeidsintensief
B
kapitaalintensief

Slide 18 - Quizvraag

Een bedrijf met veel machines is:
A
Arbeidsintensief
B
Kapitaalintensief

Slide 19 - Quizvraag

Een bedrijf met veel werknemers is:
A
Arbeidsintensief
B
Kapitaalintensief

Slide 20 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van een kapitaalintensief beroep?
A
Conciërge
B
Kapper
C
Boer
D
Glazenwasser

Slide 21 - Quizvraag

Bij een kapitaalintensief bedrijf verzorgen machines het grootste deel van de productie
A
Juist
B
Onjuist

Slide 22 - Quizvraag

Er is een verband tussen analfabetisme en het aandeel van de beroepsbevolking in de landbouw:

Slide 23 - Open vraag

Hoe kunnen we aan de beroepsbevolking van een land de ontwikkeling herkennen?

Slide 24 - Open vraag

Bekijk de bronnen.
Verklaar het mondiale spreidingspatroon
van het percentage van beroepsbevolking
werkzaam in de dienstensector.

Slide 25 - Open vraag

Sinds ongeveer 1990 verschuift Turkije in het wereldsysteem van periferie richting centrum.
Geef aan hoe deze verschuiving blijkt uit de volgende kenmerken van Turkije:
− de verdeling van de beroepsbevolking (over de sectoren van de economie);
− het analfabetisme;
− de natuurlijke bevolkingsgroei.

Slide 26 - Open vraag

Begrippen
• Beroepsbevolking
• Primaire sector
• Secundaire sector
• Tertiaire sector
• Zelfvoorzienend
• Commerciële landbouwbedrijven
• Informele sector
• Arbeidsintensief
• Kapitaalintensief

Slide 27 - Tekstslide

Wat moet je nu kunnen en kennen? 
Je moet alle begrippen kunnen uitleggen. 
Je moet de lesdoelen kunnen beantwoorden.
Je moet een samenvatting of een mindmap kunnen maken.

Slide 28 - Tekstslide

Drie dingen die ik deze les heb geleerd zijn...

Slide 29 - Open vraag

Wat is nog lastig vind, is ....

Slide 30 - Open vraag