Marktvormen quiz (start v5)

Quizzzz....
Een herhaalquiz over 
Marktvormen
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5,6

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Quizzzz....
Een herhaalquiz over 
Marktvormen

Slide 1 - Tekstslide

1. Veel vragers, veel aanbieders, homogeen product.
A
Monopolie
B
Volkomen concurrentie
C
Homogeen oligopolie
D
Monopolistische concurrentie

Slide 2 - Quizvraag

2. Een ondernemer heeft te maken met een gegeven prijs. Als MO>MK zal bij uitbreiding van de productie met een eenheid
A
De winst dalen.
B
De omzet stijgen en de winst dalen.
C
De omzet stijgen en de winst stijgen
D
De omzet stijgen en de prijs stijgen

Slide 3 - Quizvraag

3. Welke marktvorm hoort bij de markt van kristalsuiker?
A
Oligopolie
B
Monopolistische concurrentie
C
Monopolie
D
Volkomen concurrentie

Slide 4 - Quizvraag

4. Wat voor een marktvorm vormen de terrasjes in Den Haag?
A
volkomen concurrentie
B
monopolie
C
oligopolie
D
monopolistische concurrentie

Slide 5 - Quizvraag

5. Sushi restaurants zijn actief op de volgende markt(vorm)..
A
monopolie
B
oligopolie
C
volledig vrije mededinging
D
monopolistische concurrentie

Slide 6 - Quizvraag

6. Monopolie
A
is een leuk spel
B
is een marktvorm
C
een aanbieder, geen concurrentie
D
De antwoorden A, B en C zijn goed

Slide 7 - Quizvraag

7. Wanneer is er sprake van een monopolie?
A
Als er weinig aanbieders zijn en veel vragers
B
Samen met kerstmis bordspellen spelen
C
Als er veel aanbieders zijn en veel vragers
D
Als er één aanbieder is en veel vragers

Slide 8 - Quizvraag

8. Monopolistische concurrentie betekent...
A
veel vragers, veel aanbieders, heterogeen product
B
veel vragers, veel aanbieders, homogeen product
C
veel vragers, weinig aanbieders, homogeen product
D
veel vragers, weinig aanbieders, heterogeen product

Slide 9 - Quizvraag

 Heineken
Heinekens strijd tegen de hogere inkoopprijzen voor grondstoffen als mout en aluminium is nog niet voorbij. De brouwer is in staat gebleken de hogere prijzen door te berekenen en zal dit ook moeten blijven doen. Alleen bierdrinkers in de VS zijn nog gevrijwaard van een hogere prijs voor hun biertje. Het Nederlandse bierconcern zag in het eerste half- jaar de kosten voor grondstoffen met 15 procent per hectoliter bier stijgen. De brouwer verwacht dat dit voor de rest van het jaar gelijk blijft. Dit betekent een extra kostenpost van 375 miljoen euro. Van: telegraaf.nl

Slide 10 - Tekstslide

9. Is bij de casus over Heineken sprake van prijsdiscriminatie?
A
ja
B
nee

Slide 11 - Quizvraag

10. Prijsdiscriminatie kan niet altijd worden doorgevoerd, waaraan moet worden voldaan om prijsdiscriminatie door te voeren?

Slide 12 - Open vraag

Pak pen en papier en schrijf je berekeningen en antwoorden op...


We gaan op zoek naar de maximale totale winst in de volgende situatie...

Je mag gebruik maken van de hulpvragen, of je mag zelf aan de slag bij het bepalen van je antwoord.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

11. De vraag:
Welke prijs stelt deze monopolist vast als hij streeft naar maximale winst?

Slide 15 - Tekstslide

Tussenstap:
Bij welke aangeboden hoeveelheid is de winst van deze aanbieder maximaal?

Slide 16 - Tekstslide

Tussenstap:
Welke prijs moet er gevraagd
worden om deze hoeveelheid
te verkopen?

Slide 17 - Tekstslide

Tussenstap:
Wat is de totale omzet in deze
situatie?

Slide 18 - Tekstslide

Tussenstap:
Wat zijn de totale kosten in deze situatie?

Slide 19 - Tekstslide

Vraag:
Wat is de maximale totale winst?

Slide 20 - Tekstslide

Antwoord:
De winst van deze aanbieder is maximaal als: .....?

Slide 21 - Tekstslide

Antwoord:
De winst van deze aanbieder is maximaal als: MO = MK. Dat is bij XXX miljoen kubieke meter.

Slide 22 - Tekstslide

Antwoord:
De winst van deze aanbieder is maximaal als: MO = MK. Dat is bij 3,5 miljoen kubieke meter.
De prijs die daarbij hoort: XXX.

Slide 23 - Tekstslide

Antwoord:
De winst van deze aanbieder is maximaal als: MO = MK. Dat is bij 3,5 miljoen kubieke meter.
De prijs die daarbij hoort: 0,45.
Dit noemen we ook wel de .... opbrengsten

Slide 24 - Tekstslide

Antwoord:
De winst van deze aanbieder is maximaal als: MO = MK. Dat is bij 3,5 miljoen kubieke meter.
De prijs die daarbij hoort: 0,45.
De GTK die hierbij horen: XXX

Slide 25 - Tekstslide

Antwoord:
De winst van deze aanbieder is maximaal als: MO = MK. Dat is bij 3,5 miljoen kubieke meter.
De prijs die daarbij hoort: 0,45.
De GTK die hierbij horen: 0,15
Dus, de maximale totale winst:
.....

Slide 26 - Tekstslide

Antwoord:
De winst van deze aanbieder is maximaal als: MO = MK. Dat is bij 3,5 miljoen kubieke meter.
De prijs die daarbij hoort: 0,45.
De GTK die hierbij horen: 0,15
Dus, de maximale totale winst:
€ 1.015.000

Slide 27 - Tekstslide

Volgende keer wil ik graag:
uitleg over / oefenen met / ...

Slide 28 - Open vraag

En nu...
Aan de slag!!

Oefenen, oefenen, oefenen!
Herhalen, herhalen, herhalen!

Slide 29 - Tekstslide

12. Een kenmerk van Volkomen concurrentie is:
A
Veel aanbieders, weinig vragers
B
Vrije toe- en uittreding

Slide 30 - Quizvraag

13. Een andere naam voor Volkomen concurrentie is:
A
Volledige mededinging
B
Onvolkomen concurrentie
C
Monopolie

Slide 31 - Quizvraag

14. TO = 560q
TK = 30q + 340

MO =
A
340
B
30q
C
560

Slide 32 - Quizvraag

15. TO = 560q
TK = 30q + 340

MK =
A
30
B
30q
C
340

Slide 33 - Quizvraag

16. MO = 560 en MK = 30
voor maximale winst moet de ondernemer........
A
blijven produceren totdat hij/zij erbij neervalt
B
blijven produceren totdat de productiecapaciteit is bereikt
C
blijven produceren

Slide 34 - Quizvraag

17. MO = 500 en MK = 0,02q
bij welke hoeveelheid is de winst maximaal?
A
q = 500
B
q = 10000
C
q = 25.000

Slide 35 - Quizvraag

Berekening maximale winst MO=MK
MO = 500 en MK = 0,02q
bij welke hoeveelheid is de winst maximaal?
MO=MK
500 = 0,02q
q = 500/0,02 = 25.000
q = 25.000 stuks

Slide 36 - Tekstslide

18. Wat wordt er bedoeld met heterogene goederen?
A
Goederen die gelijk zijn in de ogen van de consument
B
Goederen die verschillen in de ogen van de consument
C
Goederen die elkaar aanvullen

Slide 37 - Quizvraag

19. Noem een overeenkomst tussen een volkomen concurrentie en een monopolistische concurrentie:
A
Veel aanbieders en vrije toe- en uitreding
B
Weinig vragers en vrije- toe en uitreding
C
Veel aanbieders en beperkte toe- en uittreding

Slide 38 - Quizvraag

20. Wat is er 'monopolistisch' aan de marktvorm monopolistische concurrentie?
A
Er is maar één aanbieder
B
De consument heeft maar keuze uit één product
C
De ondernemer is monopolist voor zijn eigen product en klantenkring

Slide 39 - Quizvraag

21. Welke ondernemingen kunnen voorbeelden zijn van een oligopolie?
A
supermarkt en autofabrikant
B
supermarkt en H&M
C
computerfabrikant en H&M

Slide 40 - Quizvraag

22. Waarom is het moeilijk om als aanbieder een oligopolie te betreden?
A
veel diploma's nodig
B
Veel kennis en kapitaal nodig
C
het is helemaal niet moeilijk om toe te treden tot een oligopolie

Slide 41 - Quizvraag

23. Dit is een voorbeeld van ?
A
prijsdiscriminatie
B
prijsdifferentiatie
C
productdifferentiatie

Slide 42 - Quizvraag

Productdifferentiatie
Bedrijven proberen hun producten te onderscheiden ten opzichte van concurrenten. Door middel van productkenmerken zoals het merk, de verpakking, kwaliteit en (extra) functionaliteit. Producten worden hierdoor verschillend in de ogen van de consument (heterogeen).

Slide 43 - Tekstslide

Dit is een voorbeeld van ?
50 euro en 15 euro
A
prijsdiscriminatie
B
prijsdifferentiatie
C
productdifferentiatie

Slide 44 - Quizvraag

Prijsdifferentiatie
Voor een vergelijkbaar maar verschillend product een verschillende prijs vragen. Verschillen in bijvoorbeeld plaats, tijd en uitvoering. Voorbeeld: theaterkaartjes voor de 1e versus de 2e rang.
Het product is 'anders'. 

Slide 45 - Tekstslide

24. Dit is een voorbeeld van ?
A
prijsdiscriminatie
B
prijsdifferentiatie
C
productdifferentiatie

Slide 46 - Quizvraag

Prijsdiscriminatie
Het vragen van verschillende prijzen voor hetzelfde product aan verschillende klanten (terwijl er geen verschil is in kosten). Denk aan: kinderkorting (bij OV).
De klant is 'anders'.

Slide 47 - Tekstslide