Samengestelde zinnen OWR

Nederlands 
Samengestelde zinnen
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 13 min

Onderdelen in deze les

Nederlands 
Samengestelde zinnen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Ik herken samengestelde zinnen
Ik kan zelf samengestelde zinnen maken
Ik heb geoefend met het maken van samengestelde zinnen









Het doel van deze vragen = school en docent leren  wat jullie belangrijk vinden en maken de opleiding/ lessen beter

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdzinnen 
In een hoofdzin staan het onderwerp en  de persoonsvorm altijd naast elkaar. 

Voorbeeld: Joep Wennemars won
geen medaille.

Schrijf zelf een hoofdzin (3 minuten)
(OS/ vandaag/ werk)
Hoe weet je of een werkwoord de persoonsvorm is?

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bijzinnen

  • Tussen de persoonsvorm en het onderwerp staan andere zinsdelen 
  • De persoonsvorm staat vaak achter in de bijzin of net voor het tweede werkwoord.


Voorbeeld:

Olha gaat naar huis, omdat ze ziek is

Wat is de hoofdzin?
Wat is de bijzin?

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samengestelde zinnen

Hebben meerdere persoonsvormen en kunnen bestaan uit:

  • Hoofdzin + Hoofdzin
  • Hoofdzin + Bijzin
  • Bijzin + Hoofdzin



Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies



Hoofdzin:
  • Heeft zelf een betekenis.
  • De persoonsvorm  staat vaak op de 2e plaats (na het onderwerp)

Voorbeeld: Ik eet een appel.


Bijzin:
  • Kan niet alleen staan.
  • De persoonsvorm  staat vaak achter in de zin.

Voorbeeld: als ik honger heb.

Hoe herken je een hoofdzin en een bijzin?
Samen: Ik eet een appel als ik honger heb

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Uitleg alle vormen van samengestelde zinnen:
Hoofdzin + hoofdzin
1. Ik ben ziek, dus ik blijf thuis. (zin 1: Ik ben ziek. zin 2: Ik blijf thuis.)

Hoofdzin + bijzin 
2. Ik ga naar school, hoewel ik me niet fit voel. (zin 1: Ik ga naar school. zin 2: Ik voel me niet fit.)

Bijzin + hoofdzin
3. Als ik goed voor mijn toets leer, krijg ik zeker een hoog cijfer. (zin 1: Ik leer goed voor mijn toets. Zin 2: Ik krijg zeker een hoog cijfer.)




Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Conclusie:
Een samengestelde zin heeft altijd 1 hoofdzin. Het andere deel kan een bijzin óf nog een hoofdzin zijn.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samengestelde zinnen zoeken:
Werk in tweetallen:
1. Neem een tekst uit een vorige les
2. Zoek samen naar de samengestelde zinnen
3. Waarom is het een samengestelde zin? Hoe zie je dat?

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Op het schrijf- en spreekexamen moet je laten zien dat je bijzinnen kunt maken



1. Met welke voegwoorden ga jij nog oefenen?

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inversie
Soms begint de zin met de tijd of met de pv/ een werkwoord. Dan schrijf je inversie. Kijk naar de voorbeelden:

- Ik koop morgen een broek in de stad.
- Morgen koop ik een broek in de stad.
- Ik leer elke dag Nederlands op school.
- Elke dag leer ik Nederlands op school.

.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tijd (of plaats)
De rest staat na het eerste werkwoord. Het kan een tijd of een plaats zijn. De tijd staat vaak voor de plaats. 

1. Mijn zoon woont in Den Haag.
2. Ik woon al 18 jaar in dit huis. 
3. Mijn moeder woont pas twee jaar in Nederland.
4. Mijn vriend gaat volgende maand in Rotterdam wonen. 


Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De rest: wie of wat
De rest kan dus tijd of plaats zijn. Maar het kan ook wat of hoe zijn. Kijk naar de voorbeelden:

Ik koop morgen een broek in de stad.
Ik ga elke dag met de fiets naar school.



Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Khalid fietst vaak naar school.

Wat is de PV/ werkwoord?
A
Khalid
B
fietst
C
vaak
D
naar school

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Julia verhuist in mei naar Hengelo.

Wat is: in mei?
A
de tijd
B
de plaats
C
het werkwoord
D
het onderwerp

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik ga vanavond naar een restaurant.

Wat is: naar een restaurant?
A
het werkwoord
B
de tijd
C
wie of wat
D
de plaats

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeelden van samengestelde zinnen:
Ik ga naar huis, want ik ben ziek. 
Ik ga naar huis, omdat ik ziek ben 
Omdat ik ziek ben, ga ik naar huis 

omdat/want = ?

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeelden van samengestelde zinnen:
Ik ga slapen, want ik ben moe.
Mijn fiets is gestolen, dus ik moet met de bus naar huis.
Ik ga dit weekend naar Amsterdam of ik blijf hier.
Ik leer Nederlands, maar ik leer ook andere talen.
Hij gaat vanavond naar het concert en hij gaat uit eten.
Ik ga buitenspelen als het mooi weer is.
Olha eet een appel, omdat ze honger heeft.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de hoofdzin? Schrijf die op.
Ik ga slapen, omdat ik moe ben.

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het voegwoord? Schrijf die op.
Mijn fiets is gestolen, dus ik moet met de bus naar huis.

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de bijzin? Schrijf die op.

Ik ga buitenspelen als het mooi weer is.

Slide 27 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Olha eet een appel, omdat ze honger heeft.

Verander de bijzin in een hoofdzin.

Slide 28 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Is dit een samengestelde zin?

'Ik ben moe en ik heb geen zin om te gaan trainen.'
A
nee
B
ja

Slide 29 - Quizvraag

Verander tijd: 'Ik was moe en had geen zin om te gaan trainen'.

'Ben' en 'heb' veranderen, dus 2 persoonsvormen, dus samengestelde zin. 

Merk op dat in allebei de zinnen het onderwerp naast de persoonsvorm staat. Het zijn dus allebei hoofdzinnen. 
Is dit een samengestelde zin?

'Petra wil graag met haar moeder winkelen'
A
ja
B
nee

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdzin of bijzin?

'Ik ga morgen naar de kapper.'
A
Hoofdzin
B
Bijzin

Slide 31 - Quizvraag

Het onderwerp (ik) staat naast de persoonsvorm (ga).
Hoofdzin of bijzin?

'... als ik mijn fiets heb gemaakt.'
A
Hoofdzin
B
Bijzin

Slide 32 - Quizvraag

Het onderwerp (ik) staat niet naast de persoonsvorm (kan).
Welke combinaties zijn dus mogelijk?
1. Hoofdzin + Hoofdzin
2. Hoofdzin + bijzin
3. Bijzin + hoofdzin



Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke combinatie heeft deze samengestelde zin?
- Of de mooiste tas afgeprijsd is, moet ik nog gaan onderzoeken.

Slide 34 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


Welke combinatie heeft deze samengestelde zin?
- Ik ga naar de stad en ik koop een nieuwe tas.

Slide 35 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke combinatie heeft deze samengestelde zin?
- Ik heb al online gezocht naar een tas, maar ik heb geen tas gevonden.
hoofdzin+hoofdzin/ hoofdzin+bijzin/ bijzin+hoofdzin

Slide 36 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Conclusie:
Een samengestelde zin heeft altijd 1 hoofdzin. Het andere deel kan een bijzin óf nog een hoofdzin zijn.

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 38 - Link

Deze slide heeft geen instructies