In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 50 min
Onderdelen in deze les
Wat doen we vandaag?
Vragen grammatica?
Bespreken ergon 17 en 21.
Vervolg grammatica.
Hoofdstuk 13
Slide 1 - Tekstslide
Vragen Grammatica?
Slide 2 - Open vraag
Slide 3 - Tekstslide
Geen vragen (meer)?
Maak maar twee rijtjes....
Slide 4 - Tekstslide
Hulpboek blz. 123
Ergon 17.
Slide 5 - Tekstslide
Ergon 17
Slide 6 - Tekstslide
Hulpboek blz. 125
Ergon 21.
Slide 7 - Tekstslide
Ergon 21
Slide 8 - Tekstslide
Hulpboek blz. 126
Imperativus en infinitivus Aoristus
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Tekstslide
Slide 11 - Tekstslide
Slide 12 - Tekstslide
Slide 13 - Tekstslide
Slide 14 - Tekstslide
Slide 15 - Tekstslide
Slide 16 - Tekstslide
Hulpboek blz. 127
Maak Ergon 24.
timer
10:00
Slide 17 - Tekstslide
Ergon 24
1
Slide 18 - Tekstslide
Ergon 24
1
Slide 19 - Tekstslide
Hektor & Achilles
Taalboek blz. 60
Hulpboek blz. 54,
Maak Opdrachten 32, 34, 35.
timer
15:00
Slide 20 - Tekstslide
Opdracht 32 abc
a a Beide partijen houden zich aan de code met betrekking tot bewapening: voor beiden is de lans/speer het aanvalswapen.
b Hektor doet een beroep op de bepaling dat het lijk van de verliezer wordt teruggegeven aan zijn medestrijders, zodat de verliezer een eervolle begrafenis krijgt.
c Achilles zegt dat hij hierover geen afspraken wil maken.
Slide 21 - Tekstslide
Opdracht 32def
d Achilles mishandelt het lijk van zijn tegenstander; hij gaat dus zelfs verder dan de weigering om het lijk terug te geven voor een eervolle begrafenis.
e r.13-14: Tussen leeuwen en mannen worden geen afspraken gemaakt.
f Eigen verwerking.
Slide 22 - Tekstslide
Opdracht 34 en 35
Opdracht 34
a + b Eigen verwerking.
Opdracht 35
a + b Eigen verwerking.
Slide 23 - Tekstslide
Aan het werk.
Leer Hulpboek blz. 156, 1 t/m 13.
Leer Hulpboek blz. 140 t/m 150.
Lees Tekstboek blz. 61
Maak Hulpboek blz. 55, 37 t/m 40
Dit is ook huiswerk.
Slide 24 - Tekstslide
Opdracht
Ieder krijgt (ongeveer) 2 zinnen toegewezen.
Benoem ieder woord in de zin.
Bij naamwoorden: geef naamval, geslacht, getal
Bij werkwoorden: geef modus, tijd, these, aspect, persoon.
Geef bij naamwoorden de (vermoedelijke) functie in de zin, of geef aan of dit een vaste aanvulling is (waarbij?)
Slide 25 - Tekstslide
Wat heb je vandaag geleerd?
Slide 26 - Open vraag
Wat is nog onduidelijk? Waar wil je meer over weten?