Markt en marktvormen (Economie vmbo), les 2: Examentraining

MARKTEN · VRAAG EN AANBOD

Examentraining

Markt en marktvormen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met casusvragen over het aflezen van het evenwicht, verschuivingen, overheidsingrijpen en het herkennen van marktvormen.

Onderdelen in deze les

MARKTEN · VRAAG EN AANBOD

Examentraining

Markt en marktvormen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Raimond Spekking / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

MARKTEN · VRAAG EN AANBOD

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over evenwicht, verschuivingen, overheidsingrijpen en marktvormen beantwoorden met een casus.

Deze slide heeft geen instructies

MARKTEN · VRAAG EN AANBOD

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: de casus. Om welke markt of welk product gaat het?

  • 2. Zoek: de gegevens: prijzen, vraag, aanbod, aantal aanbieders.

  • 3. Denk: waar zijn vraag en aanbod gelijk, of welke lijn verschuift?

  • 4. Kies: het antwoord en kijk of het logisch is.

Deze slide heeft geen instructies

MARKTEN · VRAAG EN AANBOD

Vraagtype 1: evenwicht aflezen

  • Evenwicht: de prijs waarbij vraag en aanbod gelijk zijn. Daar lees je ook de hoeveelheid af.

  • Vraag groter dan aanbod: tekort, de prijs stijgt. Aanbod groter dan vraag: overschot, de prijs daalt.

Alleen GL/TL.

Bij 4 euro: vraag 70, aanbod 30. Bij 6 euro: vraag 50, aanbod 50. Evenwichtsprijs?

A

4 euro

B

50 euro

C

6 euro

D

20 euro

Bij 6 euro zijn vraag en aanbod gelijk. Verwachte fout: de hoeveelheid (50) als prijs noemen.

Bij 8 euro is de vraag 30 en het aanbod 70. Wat is er op de markt?

A

Een tekort van 40

B

Een overschot van 100

C

Een overschot van 40

D

Evenwicht

Aanbod 70 min vraag 30 is 40: overschot, de prijs daalt. Verwachte fout: overschot en tekort omdraaien.

MARKTEN · VRAAG EN AANBOD

Vraagtype 2: verschuivingen

  • Meer vragers of meer voorkeur: vraaglijn naar rechts. Minder: naar links.

  • Meer aanbieders of een innovatie: aanbodlijn naar rechts.

Alleen GL/TL.

Er komen meer aanbieders van broodjes. Wat gebeurt er met de evenwichtsprijs?

A

Die daalt, de hoeveelheid stijgt

B

Die stijgt, de hoeveelheid daalt

C

Die blijft gelijk

D

Die daalt, de hoeveelheid ook

Aanbodlijn naar rechts: lagere prijs, grotere hoeveelheid. Verwachte fout: denken dat meer aanbieders de prijs omhoog duwen.

Een trend maakt jeans minder populair. Welke verschuiving?

A

De vraaglijn schuift naar rechts

B

De aanbodlijn schuift naar links

C

De aanbodlijn schuift naar rechts

D

De vraaglijn schuift naar links

Minder voorkeur betekent minder vraag bij elke prijs: de vraaglijn naar links. Verwachte fout: de aanbodlijn kiezen.

MARKTEN · VRAAG EN AANBOD

Vraagtype 3: overheidsingrijpen

  • Maximumprijs onder het evenwicht: tekort. Minimumprijs boven het evenwicht: overschot.

  • Sociale wetgeving, zoals de wet op het minimumloon, beschermt werknemers.

Alleen GL/TL.

Evenwichtsprijs is 6 euro. De overheid stelt een minimumprijs van 8 euro in. Gevolg?

A

De vraag is groter dan het aanbod

B

Het aanbod is groter dan de vraag

C

Er is evenwicht

D

De prijs daalt tot 4 euro

Bij 8 euro is de vraag klein en het aanbod groot: overschot. Verwachte fout: een tekort noemen.

Welke maatregel is sociale wetgeving?

A

De wet op het minimumloon

B

Een prijs die door vraag en aanbod ontstaat

C

Het plan van de overheid voor alle bedrijven

D

Een afspraak tussen aanbieders over de prijs

De wet op het minimumloon beschermt werknemers. Verwachte fout: de planeconomie kiezen.

MARKTEN · VRAAG EN AANBOD

Vraagtype 4: marktvormen herkennen

  • Let op vier dingen: aantal aanbieders, homogeen of heterogeen, toetreding en transparantie.

  • Monopolie: één aanbieder, natuurlijk, overheids of economisch.

Alleen GL/TL.

Drie bedrijven maken al het cement, overal gelijk. Nieuwe bedrijven kunnen niet beginnen. Marktvorm?

A

Heterogeen oligopolie

B

Monopolistische concurrentie

C

Homogeen oligopolie

D

Volkomen concurrentie

Weinig aanbieders en een gelijk product: homogeen oligopolie. Verwachte fout: heterogeen kiezen.

Alleen de overheid mag rijbewijzen afgeven. Welke marktvorm?

A

Natuurlijk monopolie

B

Overheidsmonopolie

C

Economisch monopolie

D

Volkomen concurrentie

De wet bepaalt dat alleen de overheid het mag: overheidsmonopolie. Verwachte fout: natuurlijk monopolie.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Evenwicht aflezen

2

Verschuivingen

3

Overheidsingrijpen

4

Marktvormen herkennen

Deze slide heeft geen instructies

MARKTEN · VRAAG EN AANBOD

Tips voor op het examen

  • Evenwicht: zoek de prijs waar vraag en aanbod gelijk zijn. De prijs is niet de hoeveelheid.

  • Meer vraag of meer aanbod: de lijn schuift naar rechts. Bij minder naar links.

  • Maximumprijs onder het evenwicht: tekort. Minimumprijs boven het evenwicht: overschot.

  • Marktvorm: tel de aanbieders en kijk of het product gelijk of verschillend is.

Deze slide heeft geen instructies