cross

K2 H2 Spelling (I): meervoud op -en, -ën & -n.

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlandsvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 1 - Tekstslide

DOEL

REGELS VAN HET MEERVOUD OP -EN & -ËN

KENNEN EN KUNNEN GEBRUIKEN


- je kunt het meervoud van een woord schrijven als het op -en of -ën eindigt

Slide 2 - Tekstslide

Weet jij wat een zelfstandig naamwoord is?

Slide 3 - Woordweb

ZELFSTANDIG NAAMWOORD



Woorden voor mensen
bakker - tandarts - boer - leerling - jongen - meisje
Woorden voor dieren
hond - paard - lieveheersbeestje - panda - marmot
Woorden voor planten
tulp - roos - eik - dennenboom - tulp - boterbloem
Woorden voor dingen
iPad - telefoon - kast - etui - kleed - broek - stoel
me-di-pla-di
Woorden voor namen
Kees - Sofie - Praxis - Albert Heijn - Coca Cola - Haribo - Apple - Jansen
Woorden voor gevoel
liefde - haat - angst - geluk - pijn - dorst - boosheid

Slide 4 - Tekstslide

ENKELVOUD EN MEERVOUD

Zelfstandige naamwoorden kunnen in het

enkelvoud en in het meervoud staan


enkelvoud = één stoel en één bank

meervoud = twee stoelen en twee banken

Slide 5 - Tekstslide

MEERVOUDEN

Veel zelfstandige naamwoorden hebben meervoud op -en


lamp - lampen

mes - messen

weg - wegen

kaas - kazen

Bekijk het volgende filmpje

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

1. MEERVOUD op -en
Vaak hoef je alleen maar -en achter het woord te zetten

lamp + en = lampen

boer + en = boeren

dans + en = dansen

lot + en = loten

Slide 8 - Tekstslide

2. MEERVOUD op -en

Soms moet je tegelijk de laatste letter verdubbelen,

want je hoort een korte klank

klas + s + en = klassen

bak + k + en = bakken

bed + d + en = bedden

Slide 9 - Tekstslide

3. MEERVOUD op -en

Soms moet je tegelijk een a, e, o of u weghalen,

want je hoort een lange klank

schaar - a + en = scharen

been - e + en = benen

sloot - o + en = sloten

Slide 10 - Tekstslide

4. MEERVOUD op -en

Soms moet je tegelijk een -f veranderen in een -v

raaf + f/v + en = raven

brief + f/v + en = brieven

golf + f/v + en = golven

Slide 11 - Tekstslide

5. MEERVOUD op -en

Soms moet je tegelijk een -s veranderen in een -z

baas + s/z + en = bazen

huis + s/z + en = huizen

mees + s/z + en = mezen

Slide 12 - Tekstslide

6. MEERVOUD op -ën

Bij woorden die eindigen op -ee of -ie maak je langer met -ën of met -"n (let op de plaats van de klemtoon)

fee = feeën

knie = knieën

bacterie = bacteriën

porie = poriën

Slide 13 - Tekstslide

Wat is het meervoud van
OLIFANT
A
olifantjes
B
olifantje
C
olifanten
D
olifantten

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het meervoud van
KAAS
A
kaazen
B
kazen
C
kaasen
D
kasen

Slide 15 - Quizvraag

Wat is het meervoud van
KOEKENPAN
A
pannenkoek
B
pannenkoeken
C
koekenpannen
D
koekenpanen

Slide 16 - Quizvraag

Wat is het meervoud van
mees
A
meesen
B
mezen
C
meezen
D
mesen

Slide 17 - Quizvraag

Wat is het meervoud van
kip
A
kippen
B
kipen
C
kipjes
D
kippetjes

Slide 18 - Quizvraag

Waar ligt de klemtoon?
genie
A
ge
B
nie

Slide 19 - Quizvraag

Hoe schrijf je het meervoud van
genie

Slide 20 - Open vraag

Waar ligt de klemtoon?
melodie
A
me
B
lo
C
die

Slide 21 - Quizvraag

Hoe schrijf je het meervoud van
melodie

Slide 22 - Open vraag

Waar ligt de klemtoon?
ceremonie
A
ce
B
re
C
mo
D
nie

Slide 23 - Quizvraag

Hoe schrijf je het meervoud van
ceremonie

Slide 24 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
voetbal

Slide 25 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
sportbroek

Slide 26 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
wedstrijd

Slide 27 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
uitslag

Slide 28 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
omslag

Slide 29 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
amfibie

Slide 30 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
kolonie

Slide 31 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
poes

Slide 32 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
zee

Slide 33 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
glas

Slide 34 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
kloof

Slide 35 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
categorie

Slide 36 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
symfonie

Slide 37 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
muzieknoot

Slide 38 - Open vraag

Zet het volgende zelfstandige naamwoord in het meervoud:
les

Slide 39 - Open vraag

Deze (bedrijf) verhuren speciale (fiets) voor (gehandicapte).
A
bedrijfen - fietsen - gehandicaptten
B
bedrijfen - fietsen - gehandicapten
C
bedrijven - fietsen - gehandicaptten
D
bedrijven - fietsen - gehandicapten

Slide 40 - Quizvraag

In de (huis) aan de overkant wonen (bejaarde).
A
huisen - bejaardden
B
huizen - bejaardden
C
huizen - bejaarden
D
huisen - bejaarden

Slide 41 - Quizvraag

Mika koopt nieuwe (laars) het liefst op (braderie).
A
laarzen - braderiën
B
laarzen - braderieën
C
laarsen - braderiën
D
laarsen - braderieën

Slide 42 - Quizvraag

De (genie) hebben goede (idee) om de (probleem) op te lossen.
A
geniën - ideën - probleemen
B
genieën - ideeën - probleemen
C
genieën - ideën - problemen
D
genieën - ideeën - problemen

Slide 43 - Quizvraag

Leg de (kopie) van de (brief) maar in de die (doos).
A
kopieën - brieven - dozen
B
kopiën - brieven - dozen
C
kopieën - briefen - dozen
D
kopieën - brieven - doozen

Slide 44 - Quizvraag

Vliegende (dier) zoals (mug), (duif) en (bij) vind ik eng.
A
dieren - muggen - duifen - bijën
B
dieren - mugen- duifen - bijen
C
dieren - mugen- duiven - bijen
D
dieren - muggen - duiven - bijen

Slide 45 - Quizvraag

In brood zitten (vitamine), (mineraal) en (proteïne).
A
vitaminen - mineraalen - proteïnen
B
vitaminen - mineraalen - proteïnën
C
vitaminen - mineralen - proteïnen
D
vitaminen - mineralen - proteïnën

Slide 46 - Quizvraag

GELEERD

REGELS VAN HET MEERVOUD OP -EN & -ËN

KENNEN EN KUNNEN GEBRUIKEN


- je kunt het meervoud van een woord schrijven als het op -en of -ën eindigt

Slide 47 - Tekstslide

Wat wist je al?

Slide 48 - Open vraag

Is er iets wat je nog niet zo goed snapt?
Zo ja, schrijf dit op.

Slide 49 - Open vraag

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 50 - Tekstslide