Lesson 6 21 -9 3.3 3.4 present perfect and reflexive nouns

Welcome!
LessonUp class
 rqzgw 

today's class: 
present perfect and reflexive nouns
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Welcome!
LessonUp class
 rqzgw 

today's class: 
present perfect and reflexive nouns

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Silent reading
You have your own reading book


Forgot it?  
readtheory.org--class code Q8XMSDQ4 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Silent reading



Reading file test is 11 october
timer
10:00

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

homework check 3.1, 3.2 

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammar 
welke werkwoordvormen kennen we nu? 



Schrijf mee, maak aantekeningen! 

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

The present simple
When do you use the present simple? 
altijd, nooit, regelmatig
What are the signal words?
always, never,often, usually, regularly, sometimes, hardly ever, every day
How do you make the present simple? 
hele werkwoord zonder "to" . He/ She/ It = +s

"to walk" --> I walk, he walks

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bij vragen & negatieve zinnen
Do/Does + stam
+ I play soccer every week 
? Do I play soccer every week?
- I don't play soccer every week

+ She plays soccer every week.
? Does she play soccer every week?
- She doesn't play soccer every week.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Video

Deze slide heeft geen instructies

The present continuous
When do you use the present continuous? 
iets is nu aan de gang
What are the signal words?
now, right now, at the moment.
How do you make the present continuous? 
vorm van "to be" + ww-ing

"to walk" --> I am walking, he is walking, they are walking

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Video

Deze slide heeft geen instructies

The future: Will/ shall + hele werkwoord 
When do you use will/ shall + hele werkwoord? 
iets wat in de toekomst zal gebeuren, ZONDER PLAN
In vraagzinnen waarin je iets aanbiedt of een voorstel doet, gebruik je altijd shall bij I en we

How do you make it? 
positive: will + hele werkwoord; negatief: won't + hele werkwoord

"to walk" --> I will walk, he will walk, they will walk

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2 manieren will + hele werkwoord
1. Als je een beslissing neemt (plan maakt) op het moment van spreken.

Bijv. Do you think John is at home? I think I will call him this afternoon. 
         (Op het moment van spreken besluit je om John vanmiddag te gaan bellen)

2. Bij een wens, veronderstelling, belofte, aanbod, verzoek of voorspelling
  
Bijv. He will not be on time, tomorrow                      (= voorspelling)
         Those boxes look heavy, I will help you carry them.    (= aanbod)


Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe zit het nu tussen will en shall?
  • In vragen kun je will of shall gebruiken.
  • Shall gebruik je alleen met I en we. 
  • Shall wordt vooral gebruikt om te vragen naar een mening, bij voorstellen en om iets aan te bieden. 

bijv.  Will you/he/she/it/they do that?
          Shall we/I do that?
          Shall we go out or stay in?  - (je vraagt naar een mening)
          Shall we go shopping this weekend?  - (je doet een voorstel)

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

The future: To be going to + hele werkwoord 
When do you use to be going to + hele werkwoord? 
iets wat zeker in de toekomst zal gebeuren, iets wat iemand van plan is

How do you make it? 
"vorm van to be" (am/is/are)  + "going to" + "ww" 

"to walk" --> I am going to walk, he is going to walk, they are going to walk

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Grammar : Present perfect
Wanneer gebruik je het? 

je gebruikt present perfect wanneer iets is gebeurd en het niet belangrijk is wanneer
(= voltooid tegenwoordige tijd)
of iets dat in het verleden begonnen is en nog steeds aan de gang

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammar 
Hoe maak je de present perfect? 
have/has + voltooid deelwoord

(--> regelmatige werkwoorden krijgen -ed onregelmatige werkwoorden hebben eigen vorm)
checkbook p149 

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

                          present perfect

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present perfect

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Perfect
all actions happened in the past but:
1. when is not important:          I have finished my homework.
2. is still going on:                        I have lived here for 2 years
3. result is important now:       I have lost my key (and can't get in)
4. with words: just, lately, recently and yet. (see FYNE JAS)

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

mnemonic!
fijne jas 
f - for
y - yet
n - never                     + recently
e - ever
j - just
a - already / always
s - since

Slide 21 - Tekstslide

Signaal woorden
Present Perfect:
2. I __________ a teacher since 2002.
A
was
B
have be
C
have been
D
had be

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Perfect:
1. I ____ recently ______ this this film.
A
didn't ... read
B
have ... readed
C
have ... read
D
had ... read

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Perfect:
1. I _____________ my homework yet.
A
have finish
B
has finished
C
did finished
D
haven't finished

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Perfect:
1. John _____________ this book for me.
A
have buyed
B
has bought
C
has buyed
D
haven't bought

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

You work !
 ex. 31



Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammar - reflexive pronouns
wederkerende voornaamwoorden

verwijzen terug naar personen,dingen en dieren, 
leggen extra nadruk. 

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

voornaamwoorden

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

wederkerend voornaamwoord :
ik
me / mijzelf
myself
jij
je / jezelf
yourself
hij/zij/het
zich
himself/herself/itself
wij
ons
ourselves
jullie
je / jezelf
yourselves
zij
zich
themselves

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

She can’t dress ............ properly
A
yourself
B
myself
C
herself

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

The computer shuts ...................
off.
A
himself
B
itself
C
themselves
D
yourself

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

My brother takes pictures of ......
every day.
A
herself
B
himself
C
yourselves
D
ourselves

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

you work !
online ex. 32 & 33



Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Finished? 
Make the Catch up of Chapter 1 and 3


What do you find difficult? 

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

tests: 
Cito leestoets in toetsweek - 12 October
Reading file test - 11 October
Chapter 1 &3 - vocabulary, phrases and grammar - 5 October

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Next week there will not be English lessons

Take a look at the grammar of unit 1 and 3, do you understand it?
Make catch up Chapter 1 and 3. 
4 October is your last chance for questions.



Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Online Classrooms
classroom.google = 2HM1 - lgv74uv
      
NewInterface 2HM1 - HJ81M5MY

   Readtheory: 2HM1 - Q8XMSDQ4

Listening: https://www.esl-lab.com/


Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies