In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Dit is niet okรฉ
Onderdelen in deze les
UNIT 4 Media
Lesson 4: Speaking
Slide 1 - Tekstslide
Wat leer je vandaag?
We gaan nieuwe woorden en zinnen leren over wat je doet na school, zoals sport of gamen. We leren wanneer je am, are of is gebruikt.
Lesson goal
๐ฃ๏ธ Words & Phrases: I can use new words to talk about after-school activities.<div>โ๏ธ Grammar: I can use the correct form of 'to be': am, are or is.</div>
Slide 2 - Tekstslide
After school
Wat doe jij het liefst na school?
Beantwoord de vraag samen met een klasgenoot. Probeer het in het Engels.
Slide 3 - Tekstslide
Words 4.4
practice / training: โฝ ๐๏ธ
tomorrow / morgen: ๐ ๐
swimming pool / zwembad: ๐ ๐
watch / kijken: ๐ ๐บ
try / proberen: ๐ช ๐ฏ
game / spel: ๐ฎ ๐ฒ
jump / springen: ๐ฆ โฌ๏ธ
rock / kei: ๐ชจ
collect / verzamelen: ๐งบ ๐ฅ
exciting / spannend: ๐คฉ ๐ข
slow / langzaam: ๐ข ๐
fast / snel: ๐ ๐
not at all / helemaal niet: ๐ซ ๐
visit / bezoeken: ๐ถ ๐ค
crisps / chips: ๐ฅ ๐ฟ
Vraag
<ul><li>Welke woorden ken je al? </li><li>Welke zijn nieuw voor je?</li></ul>
Slide 4 - Tekstslide
Zijn - tegenwoordige tijd
In de tegenwoordige tijd heb je drie vormen van 'to be', namelijk:
am, are & is
Voorbeelden:
I am fast. He is slow. We are fast but they are slow.
Am hoort bij
I am
Are hoort bij
you, we, they & you
Is hoort bij
he, she & it
Zijn
Ik ben<div>Jij bent</div><div>Hij / zij is</div><div>Wij zijn</div><div>Jullie zijn</div><div>Zij zijn</div>
Slide 5 - Tekstslide
Zijn - tegenwoordige tijd
Voorbeeldzin
I am / I'm playing a game.<div>You are / You're my friend.</div><div>The car is / The car's fast.</div><div>We are / We're watching TV.</div>
๐โโ๏ธ I
am
I'm
๐ You
are
You're
๐ฆ/๐ง/๐ He / She / It
is
He's / she's / it's
๐จโ๐ฉโ๐งโ๐ฆ
We / They
are
We're / they're
Slide 6 - Tekstslide
We ... watching TV
A
am
B
are
C
is
Slide 7 - Quizvraag
The car ... really fast
A
am
B
are
C
is
Slide 8 - Quizvraag
I ... very bored
A
am
B
are
C
is
Slide 9 - Quizvraag
Phrases
Phrases leren
In je boek staan steeds Phrases. Deze zinnen zijn belangrijk om goed Engels te leren spreken en te verstaan. Leer ze goed, van het Engels naar het Nederlands en andersom. Oefen de Phrases voordat je een spreekoefening gaat doen. Kijk ook eens terug in vorige lessen om alle Phrases nog eens te herhalen. Zo onthoud je ze beter.
Excersice 53
Werk samen met een klasgenoot. Gebruik<div>Phrases: <i>Je stelt iets voor of reageert op een voorstel</i> en </div><div>Phrases: <i>Je vraagt om verduidelijking.</i></div><div><br /></div>
Slide 10 - Tekstslide
45 en 46 After-school activities
Wat vinden je klasgenoten leuk?
Loop de klas rond. Vind bij elk van de negen activiteiten in de tabel van de vorige opdracht een klasgenoot die dat na schooltijd leuk vindt om te doen. Spreek Engels met elkaar.
45 After-school activities
Lees in de tabel de dingen die je na school kunt doen.<div>Verzin er zelf drie bij.</div>
Slide 11 - Tekstslide
Today:
(p.19 - 24)
Maak de opdrachten in je werkboek:
Opdracht 47 t/m 53
Klaar? Controleer je antwoorden met de nakijkmap.
Werk verder aan de Practise more opdrachten online.
Let goed op de woorden, grammar and phrases die je moet gebruiken bij de verschillende opdrachten.
Slide 12 - Tekstslide
Exit ticket
Fill in the blanks (am / are / is):
I ______ very slow.
The game ______ exciting.
You ______ visiting a friend tomorrow.
Leren
Words 4.4<div>Grammar: Zijn โ tegenwoordige tijd</div><div>Phrases: Je stelt iets voor of reageert op een voorstel en </div><div>Phrases: Je vraagt om verduidelijking</div>