Theorieles 4 Medisch rekenen I - Internationale Eenheden

Medisch rekenen 
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
Medisch rekenenMBOStudiejaar 4

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Medisch rekenen 

Slide 1 - Tekstslide

Herhaling vorige lessen

Slide 2 - Tekstslide

Workshop Medisch rekenen I
1. Milligrammen
2. Procenten/promille
3. Oplossingen
4. Verdunningen
5. Internationale eenheden

Slide 3 - Tekstslide

1. Milligrammen introductie
Situatie: 

Je zorgvrager moet 3,5 mg. morfine hebben.
De ampul bevat 10mg/ml.

Hoeveel milliliter moet je injecteren bij de zorgvrager?

Slide 4 - Tekstslide

NODIG (in mg per ml) : VOORRADIG (in mg per ml) =
aantal toe te dienen milliliter 
Voorbeeldsom:
De zorgvrager moet 3,5 mg. morfine hebben.
De ampul bevat 10mg/ml.
Hoeveel ml. geef je?
3,5 : 10 = 0,35 ml

Slide 5 - Tekstslide

NODIG (in mg per ml) : VOORRADIG x aantal ML waarin voorraad is opgelost = aantal toe te dienen milliliter
Voorbeeldsom:
De zorgvrager moet 5 mg. morfine hebben.
De ampul bevat 10mg/ 2 ml.
Hoeveel ml injecteer je? 
5 : 10 x 2 = 1 ml
of 5 : 5 (per ml) = 1 ml


Slide 6 - Tekstslide

Uitzonderingen milligrammen
Soms staat er in een som (of casus) teveel informatie. Dan staan er getallen die je niet nodig hebt bij het rekenen. Voorbeeld: 
Een kind moet 75 mg durabolin gespoten krijgen per week.
In voorraad zijn ampullen a 2 ml met 25 mg/ml.
Hoeveel ml durabolin injecteer je?
75 : 25 = 3 ml injecteren 
Dat de ampullen 2 ml bevatten is nu niet nodig voor de som. 
DIT IS WEL NODIG BIJ HET BESTELLEN VAN DE JUISTE HOEVEELHEID MEDICATIE!

Slide 7 - Tekstslide

2. Procenten/promille introductie
Situatie: 

Je zorgvrager moet 20 mg. morfine hebben.
Je hebt ampullen morfine van 1%.
Hoeveel ml geef je per dag?

Slide 8 - Tekstslide

Theorie - Procenten/promille
1 % = 10 mg/ml  (in procenten)
1‰ = 1 mg/ml   (in promille) 


NODIG (in mg per ml) : VOORRADIG (in mg per ml) = aantal toe te dienen milliliter



Slide 9 - Tekstslide

3. Oplossingen introductie
Situatie: 
Op je afdeling is de voorraad fysiologisch zout op, aan jou wordt gevraagd om met gedestilleerd water en keukenzout een oplossing te maken, je moet 6 zakken van 500 ml 0,9% Nacl maken.
Hoeveel gram zout is er nodig per zak?

Slide 10 - Tekstslide

Theorie - Oplossingen
Een oplossing is een vloeistof waarin een werkzame stof is opgelost. Soms moet je dit zelf samenstellen. Denk aan fysiologisch zout waarbij gedestilleerd water en keukenzout met elkaar in de juiste verhouding worden gemengd. 

Daarbij kijk je eerst in welke verhouding de oplossing gemaakt moet worden. Hierbij geldt weer:
1 % = 10 mg/ml (in procenten)
1‰ = 1 mg/ml (in promille)
Daarna vermenigvuldig je de verhouding keer het aantal milliliter dat je moet maken. Dan weet je hoeveel MILLIGRAM je van de werkzame stof moet toevoegen. Vaak wordt het gevraagd in grammen en dien je je antwoord dus nog om te zetten. 


Slide 11 - Tekstslide

Voorbeeldsom oplossingen:
Op je afdeling is de voorraad fysiologisch zout op, aan jou wordt gevraagd om met gedestilleerd water en keukenzout een oplossing te maken, je moet 6 zakken van 500 ml 0,9% Nacl maken.
Hoeveel gram zout is er nodig per zak?

Slide 12 - Tekstslide

je moet 6 zakken van 500 ml 0,9% Nacl maken.
Hoeveel gram zout is er nodig per zak?
Stap 1. 0,9% = 9 milligram per 1 ml
Stap 2. 500ml totaal per zak, dus 500ml x 9gr = 4500 milligram per 500ml
Stap 3. Dus 4500 mg : 1000 = 4,5 gram per zak
Hoeveel gram zout heb je nodig voor alle zakken bij elkaar?
4,5 gram per zak, 6 zakken :
6 x 4,5 gram = 27 gram nodig

je moet 6 zakken van 500 ml 0,9% Nacl maken.
Hoeveel gram zout is er nodig per zak?

Stap 1. 0,9% = 9 milligram per 1 ml

Stap 2. 500ml totaal per zak, dus 500ml x 9 milli gr = 4500 milligram per 500ml

Stap 3. Dus 4500 mg : 1000 = 4,5 gram per zak

Hoeveel gram zout heb je nodig voor alle zakken bij elkaar?
4,5 gram per zak, 6 zakken :
6 x 4,5 gram = 27 gram nodig

Slide 13 - Tekstslide

Je moet zakken van 0,7% Nacl maken. Hoeveel MILLIGRAM zout per mL is dat?
A
0,7
B
0,07
C
7
D
70

Slide 14 - Quizvraag

Je moet een zak van 100 mL 0,7% Nacl maken. Welke som heb je nodig om het aantal MILLIgram uit te rekenen?
A
100 x 0,7 = 70
B
100 x 7 = 700

Slide 15 - Quizvraag

Hoe zet ik het aantal berekende milligrammen per zak om naar grammen?
A
500 : 1 = 500
B
500 : 10 =350
C
500 : 100 = 5
D
500 : 1000 = 0,5

Slide 16 - Quizvraag

Op je afdeling is de voorraad fysiologisch zout op, aan jou wordt gevraagd om met gedestilleerd water en keukenzout een oplossing te maken, je moet 1 zak van 250 ml 0,6% Nacl maken.
Hoeveel GRAM zout is er nodig voor 1 zak?
A
15
B
15 000
C
150
D
1,5

Slide 17 - Quizvraag

4. Verdunningen introductie
Situatie:  Je hebt een voorraad van een desinfecteermiddel met een concentratie van 50%.
Je wilt deze verdunnen naar een oplossing van 5 %.
Er is je gevraagd om een hoeveelheid van 500 milliliter aan te maken.

Hoeveel desinfectiemiddel en
hoeveel water 
is hiervoor nodig?



Slide 18 - Tekstslide

Theorie - Verdunningen
Een verdunning is een vloeistof waarin twee vloeistoffen met elkaar gemengd zijn in een bepaalde verhouding. Denk aan bijvoorbeeld desinfectiemiddel verdund met water. 
Eerst bereken je hoeveel werkzame stof (zoals desinfectiemiddel) nodig is.  Dat doe je met deze formule:
Nodig in % x aantal ml : aanwezig % in voorraad = hoeveelheid milliliter werkzame stof (die in de verdunning moet)
OF (want deze ken je al ↓ )
Nodig in % : aanwezig % in voorraad x aantal ml = hoeveelheid milliliter werkzame stof (die in de verdunning moet)
Daarna bekijk je met hoeveel water je dit moet aanvullen. Dat kan met deze formule:
Gewenste hoeveelheid product – uitkomst bij bovenstaande formule = hoeveelheid water toevoegen 


Slide 19 - Tekstslide

Let op!
Bij het onderdeel VERDUNNINGEN moet je de procenten NIET omzetten voordat je er mee gaat rekenen. 
1 % = 10 mg/ml (in procenten)
1% = gewoon 1% !!!

Soms moet je wel het aantal ml eerst uitrekenen.
Bijvoorbeeld 1 liter = 1 x 1000 = 1000 milliliter 

Slide 20 - Tekstslide

Nodig in %         x    aantal ml :        aanwezig % in voorraad = hoeveelheid milliliter werkzame stof (die in de verdunning moet)

Slide 21 - Tekstslide

Nodig in %         x    aantal ml :        aanwezig % in voorraad = hoeveelheid milliliter werkzame stof (die in de verdunning moet)
Hoeveel ml desinfectiemiddel is er nodig?
5 % x 500 : 10 % = 250 ml
Met hoeveel water moet je dit
aanvullen?
500 - 250 = 250 ml 

Slide 22 - Tekstslide

Bij een verdunning mag je meteen rekenen met het aangegeven percentage. Deze hoeft niet omgezet te worden.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 23 - Quizvraag

Bij een verdunning vul je het altijd aan met water tot de gewenste hoeveelheid.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 24 - Quizvraag

Je hebt een voorraad van een desinfecteermiddel met een concentratie van 25%.
Je wilt deze verdunnen naar een oplossing van 5 %.
Er is je gevraagd om een hoeveelheid van 250 milliliter aan te maken. Hoeveel ml heb je van het desinfecteermiddel nodig?
Nodig in % x aantal ml : aanwezig % in voorraad =
A
500
B
50
C
5
D
0,5

Slide 25 - Quizvraag

Start volgend onderdeel
1. Milligrammen
2. Procenten/promille
3. Oplossingen
4. Verdunningen
5. Internationale eenheden

Slide 26 - Tekstslide

5. Internationale eenheden introductie
Situatie:  
Je zorgvrager moet 400.000 IE penicilline hebben.
Je hebt de ampul penicilline van 1.000.000 IE/ml
Hoeveel ml. moet je geven?




Slide 27 - Tekstslide

Theorie - Internationale eenheden
Internationale eenheden mag je lezen als een hoeveelheid (bijv. milligrammen), dan gelden alle regels zoals omschreven bij milligrammen. Let op dat je het eerst omzet per milliliter of gebruik de andere formule waarbij dit niet hoeft.  Formule:

NODIG (in mg per ml) : VOORRADIG (in mg per ml) = aantal toe te dienen milliliter




Slide 28 - Tekstslide

NODIG (in mg per ml) : VOORRADIG (in mg per ml) =
aantal toe te dienen milliliter 
Voorbeeldsom:
Je zorgvrager moet 400.000 IE penicilline hebben.
Je hebt de ampul penicilline van 1.000.000 IE/ml
Hoeveel ml. moet je geven?
400 000 : 1 000 000 = 0,4 ml 

 

Slide 29 - Tekstslide

Uitzonderingen Internationale Eenheden
NODIG (in mg per ml) : VOORRADIG (in mg per ml) = aantal toe te dienen milliliter

!!! Let op! Is de voorraad niet per ml, dan moet dit eerst omgerekend worden. 
OF er moet gebruik gemaakt worden van deze formule:


NODIG (in mg per ml) : VOORRADIG x aantal ML waarin voorraad is opgelost =
aantal toe te dienen milliliter

Slide 30 - Tekstslide

NODIG (in mg per ml) : VOORRADIG x aantal ML waarin voorraad is opgelost = aantal toe te dienen milliliter
Voorbeeldsom:
Je zorgvrager moet 200.000 IE penicilline hebben.
Je hebt de ampul penicilline van 1.000.000 IE opgelost in 10ml aquadest (of water voor injectie).
Hoeveel ml. moet je geven?
200 000 : 1 000 000 x 10 = 2 ml 
of 200 000 : 100 000 (per ml) = 2 ml


Slide 31 - Tekstslide

Uitzonderingen Internationale Eenheden
Soms staat er in een som (of casus) teveel informatie. Dan staan er getallen die je niet nodig hebt bij het rekenen. Voorbeeld: 
Een patiënt krijgt 28 IE insuline toegediend. In een ampul zit 10 ml 100IE/ml. 
Hoeveel ml insuline injecteer je?
28 : 100 = 0,28 ml injecteren 
Dat de ampullen 10 ml bevatten is nu niet nodig voor de som. 
DIT IS WEL NODIG BIJ HET BESTELLEN VAN DE JUISTE HOEVEELHEID MEDICATIE!

Slide 32 - Tekstslide

Internationale eenheden mag je op dezelfde manier benaderen als het onderwerp milligrammen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 33 - Quizvraag

Je zorgvrager moet 600.000 IE penicilline hebben.
Je hebt de ampul penicilline van 1.000.000 IE opgelost in 5ml aquadest (of water voor injectie).
Hoeveel ml. moet je geven?

A
30
B
3
C
300
D
0,3

Slide 34 - Quizvraag

Een patiënt krijgt 3 keer daags 25 IE insuline toegediend. In een ampul zit 10 ml 100IE/ml.
Hoeveel ml krijgt hij PER KEER toegediend?

A
0,25
B
2,5

Slide 35 - Quizvraag

Uitwerking
Een patiënt krijgt 3 keer daags 25 IE insuline toegediend. In een ampul zit 10 ml 100IE/ml.
Hoeveel ml krijgt hij PER KEER toegediend? 

NODIG (in mg per ml) : VOORRADIG (in mg per ml) = aantal toe te dienen milliliter
25 : 100 PER ML = 0,25 ml
Die 10ml geeft de grootte van de ampul aan en niet in welke verhouding het is opgelost. 

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide

Een patiënt krijgt 3 keer daags 20 IE insuline toegediend.
In een ampul zit 10 ml 100IE/ml.
Jij moet voor een maand ampullen bestellen bij de apotheek
(1 maand is 30 dagen).
We gaan ervan uit dat bij de levering de oude voorraad op is.
a Hoeveel ml insuline injecteer je per keer?

A
0,02
B
0,2
C
2
D
20

Slide 38 - Quizvraag

Een patiënt krijgt 3 keer daags 20 IE insuline toegediend.
In een ampul zit 10 ml 100IE/ml.
Jij moet voor een maand ampullen bestellen bij de apotheek
(1 maand is 30 dagen).
We gaan ervan uit dat bij de levering de oude voorraad op is.
a Hoeveel ml insuline injecteer je per DAG?

A
0,6
B
6

Slide 39 - Quizvraag

Een patiënt krijgt 3 keer daags 20 IE insuline toegediend.
In een ampul zit 10 ml 100IE/ml.
Jij moet voor een maand ampullen bestellen bij de apotheek
(1 maand is 30 dagen).
We gaan ervan uit dat bij de levering de oude voorraad op is.
b Hoeveel ampullen bestel je voor deze patiënt
(Je mag niet zonder insuline komen te zitten)

A
2 ampullen
B
3 ampullen
C
4 ampullen
D
5 ampullen

Slide 40 - Quizvraag

Einde
Je bent nu klaar voor: 
Huiswerkles 4 mg, pr/pr, opl., verd en Internationale Eenheden 
Deze kun je vinden in LessonUp bij de klas waar je aan gekoppeld bent. 

Succes! 

Slide 41 - Tekstslide