Quiz Ontwikkelingspsychologie Kleuterfase

Quiz Ontwikkelingspsychologie Kleuterfase

In deze quiz gaan we kijken hoe goed jullie elkaar door middel van de speeddate geïnformeerd hebben over de ontwikkelingsfase van een kleuter!

1 / 20
volgende
Slide 1: Slide
newEditorPedagogisch werkMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Quiz Ontwikkelingspsychologie Kleuterfase

In deze quiz gaan we kijken hoe goed jullie elkaar door middel van de speeddate geïnformeerd hebben over de ontwikkelingsfase van een kleuter!

Welke leeftijd hoort bij de kleuterfase?

A

2-3

B

1-2

C

4-6

D

6-8

Wat gebeurt er met de lichaamsverhoudingen van kleuters?

A

lengte neem toe

B

armen en benen groeien snel

C

grootte van het hoofd neemt toe

D

groeispurt met groeipijn

De grove motoriek bij kleuters is bijna volledig

A

waar

B

niet waar

Wat is belangrijk kenmerk bij de ontwikkeling van de fijne motoriek van een kleuter?

A

Lego bouwwerken worden steeds complexer

B

Handvoorkeur komt vast te liggen

C

ze leren fietsen

D

hinkelen gaat steeds beter

Kleuters leren steeds meer sociale normen in hun sociale ontwikkeling: ze gaan steeds minder bloot rondlopen

A

Waar

B

Niet waar

Wat hoort niet bij de gewetensontwikkeling van een kleuter?

A

Goed versus fout begrijpen

B

Leren dat liegen in sommige gevallen wel mag

C

Dat je anderen geen pijn mag doen

D

Dat acties gevolgen kunnen hebben voor anderen

Een spelvoorbeeld van rollenspel die aansluit bij de seksuele ontwikkeling van een kleuter is...

A

Doktertje spelen

B

Winkeltje

C

Schooltje

D

Vader en moedertje

Wat leren kleuters vanaf 5 jaar m.b.t. seksuele ontwikkeling?

A

Verschil tussen jongens en meisjes

B

hoe verliefdheid kan voelen

C

schaamtebesef

D

seksuele voorlichting

Wat betekent centratie?

A

Focus op het middelpunt

B

Focussen op één aspect van een probleem

C

Focussen op onbelangrijke factoren

D

Het centrale punt negeren

Centratie kan een probleem zijn bij het oplossen van taken, omdat andere factoren worden genegeerd

A

waar

B

niet waar

Wat betekent conservatie?

A

Moeite met begrijpen dat hoeveelheid gelijk blijft bij verandering van vorm

B

Moeite met converseren/ praten door een verminderde woordenschat

C

Moeite hebben met de concentratie vasthouden

Hoe lang kunnen kleuters gemiddeld meedoen aan een gedwongen activiteit?

A

2 minuten

B

5 minuten

C

10 minuten

D

20 minuten

Een kleuter leert eerder doelgericht door gedwongen lesactiviteiten dan door spelen

A

Waar

B

Niet waar

Gekke rijmen en liedjes kun je beter vermijden bij het vergroten van de woordenschat van peuters en kleuters, daarmee leer je ze alleen maar de verkeerde woorden aan.

A

Waar

B

Niet waar

Metalinguïstisch bewustzijn bij kleuters houdt in....

A

Kleuters gaan steeds bewuster nadenken over taal en gaan zichzelf corrigeren

B

Kleuters worden zich bewust van verschillende maten en volumes

Als een kleuter een taalfout maakt is het belangrijk deze er meteen uit te lichten en te benadrukken dat het fout is.

A

Waar, hij moet toch leren dat het fout is

B

Niet waar, de fout ga je niet benadrukken, maar je herhaalt bijv. de zin met de juiste uitspraak van het woord

Waarom wordt geschreven taal aantrekkelijk voor een kleuter?

A

Ze doen hun eerste ervaringen op met lezen en schrijven

B

Geschreven taal gaat over niet-zichtbare zaken. Ze gaan zich realiseren dat je taal kan gebruiken om verhalen te vertellen

De basisschool speelt een belangrijke rol in de sociale ontwikkeling doordat kleuters leren delen, rekening houden met anderen en competitie

A

Waar

B

Niet waar

Wat vonden jullie van deze les?