cross

Antw 3.3

37 a graan: veel aanbieders
ebay: veel aanbieders
reizen per trein: weinig aanbieders
b graan: homogeen
ebay: heterogeen
reizen per trein: heterogeen (er bijvoorbeeld verschil tussen 1e en 2e klasse)
c graan: volkomen concurrentie
ebay: monopolistische concurrentie
reizen per trein: oligopolie

1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 13 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

37 a graan: veel aanbieders
ebay: veel aanbieders
reizen per trein: weinig aanbieders
b graan: homogeen
ebay: heterogeen
reizen per trein: heterogeen (er bijvoorbeeld verschil tussen 1e en 2e klasse)
c graan: volkomen concurrentie
ebay: monopolistische concurrentie
reizen per trein: oligopolie

Slide 1 - Tekstslide

38 a Er is sprake van volkomen concurrentie. 
Olie is niet helemaal homogeen maar het komt wel “in de buurt” van een homogeen product.

b Benzine heeft een merk. Benzinemaatschappijen proberen hun merk ook duidelijk te laten verschillen van andere merken, door bijvoorbeeld spaaracties en reclames. Hier is dus geen sprake van een homogeen product.     werken omdat hier alle aanbieders en vragers over dezelfde informatie beschikken. 

Slide 2 - Tekstslide

c Benchmark is een ruwe-oliesoort waarvan de prijs wordt gebruikt om de prijs van andere oliesoorten af te leiden.

d Door deze benchmark gaat de markt meer perfect werken omdat hier alle aanbieders en vragers over dezelfde informatie beschikken. 

Slide 3 - Tekstslide

39 a - Iedereen verkoopt hetzelfde product (graan is graan).
  - Er zijn veel vragers en veel aanbieders.
  - Alle vragers en aanbieders hebben dezelfde informatie (de prijs van graan is bekend bij iedereen).
  - Toetreden en uittreden is voor iedereen mogelijk.

b Er zijn een heleboel verschillende soorten tomaten. Dit product is minder homogeen dan graan. Dus geen volkomen concurrentie.

Slide 4 - Tekstslide

c Eigen antwoord, bijvoorbeeld:
  - je kunt niet zomaar altijd tot een markt toetreden, bijvoorbeeld door wetgeving.
  - volledige identieke producten bestaan nauwelijks. 


Slide 5 - Tekstslide

40 a Een aandeel is een waardepapier dat aangeeft dat iemand mede-eigenaar is van een vennootschap.

b - Het product is hetzelfde (een aandeel is een aandeel).
  - Er zijn veel kopers en veel aanbieders.
  - Alle vragers en aanbieders hebben toegang tot dezelfde informatie.
  - Toetreden en uittreden is voor iedereen mogelijk (iedereen kan aandelen kopen).

Slide 6 - Tekstslide

41 a Omdat er veel aanbieders zijn, kan een individuele aanbieder zijn prijs niet ongestraft verhogen. De kopers stappen over naar een andere aanbieder.

b Door de opkomst van internet kan iedereen informatie verkrijgen en wordt het kopen en verkopen gemakkelijker.

Slide 7 - Tekstslide

42 a 50.000 × €50 = €2.500.000,-
40.000 × €60 = €2.400.000,-

b Nee, de omzet kan nog hoger worden wanneer hij kiest voor een prijs van € 40,- (de omzet is dan € 40 × 65.000 = € 2.600.000,-)

c De bedoeling van het spel is dat één speler alle straten in zijn bezit krijgt.
De naam van het spel is dus goed gekozen.

Slide 8 - Tekstslide

43 a Het octrooi geeft de bezitter van het octrooi het alleenrecht een bepaald product op de markt te brengen.
b Nee, er zijn 7.100 octrooien aangevraagd. Niet iedere aanvraag wordt gehonoreerd en niet ieder octrooi leidt tot daadwerkelijke productie. Bovendien heeft een octrooi een bepaalde geldigheidsduur.
c Bijv: In 2012 was er een economische crisis. Producenten proberen dan minder vaak een nieuw product op de markt te brengen vanwege de hoge ontwikkelkosten.


Slide 9 - Tekstslide

44 a Door prijsafspraken betalen consumenten te veel voor de goederen en diensten.
b Door afspraken van producenten over productie en prijs kunnen zij voorkomen dat buitenlandse producenten hun goederen of diensten aanbieden. Zo wordt buitenlandse concurrentie voorkomen.
c Om ervoor te zorgen dat de werkgelegenheid in een land in stand blijft. Ook kan de overheid een kartel in stand houden om cruciale kennis binnen de landsgrenzen te houden. 

Slide 10 - Tekstslide

45 a De consumenten. Zij betalen een te hoge prijs voor de producten (de hogere prijs voor trucs zal worden doorberekend in de prijs van producten).

b De acht fabrikanten voorkomen dat andere aanbieders op de markt toetreden. Er zijn dus niet zoveel aanbieders.

Slide 11 - Tekstslide

46 a Albert Heijn hoopt op deze manier een groter marktaandeel te krijgen en concurrenten uit te schakelen. 

b Jumbo volgt AH omdat anders klanten van Jumbo overstappen naar AH.

Slide 12 - Tekstslide

c Door de prijzenoorlog kunnen supermarkten de concurrentie niet meer aan en moeten stoppen. Uiteindelijk blijven er te weinig concurrenten over, waardoor de overblijvers hun prijs kunnen verhogen.
d Omdat er weinig aanbieders zijn, kunnen de aanbieders redelijk goed inschatten wat het gedrag van de concurrenten is en kunnen ze ook goed inschatten of een prijzenoorlog zin heeft. Ook hebben de oligopolisten een dusdanig groot stuk van de markt in handen dat het verlagen van de prijzen een groot effect heeft op de markt. 


Slide 13 - Tekstslide