3.2 Krachten meten

Welke kracht geef je aan met Fs?
A
magnetische kracht
B
spankracht
C
veerkracht
D
zwaartekracht
1 / 32
volgende
Slide 1: Quizvraag
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welke kracht geef je aan met Fs?
A
magnetische kracht
B
spankracht
C
veerkracht
D
zwaartekracht

Slide 1 - Quizvraag

Wat kunnen krachten aan een voorwerp veranderen?

Slide 2 - Woordweb

Kun je krachten zien?
A
Ja altijd
B
nee nooit
C
Soms

Slide 3 - Quizvraag

Hoe teken je een kracht
A
met een potlood
B
als een pijl
C
met een lineaal
D
met kleurtjes

Slide 4 - Quizvraag

Je kunt een kracht tekenen als een pijl.

Wat geeft de richting van de pijl aan?

Slide 5 - Woordweb

Welke 2 krachten zie je?

Slide 6 - Woordweb

Leerdoelen 3.2
  • Je kunt het verband beschrijven tussen de uitrekking en de kracht op een veer.
  • Je kunt uitleggen hoe je krachten kunt meten met een krachtmeter (veerunster).
  • Je kunt de zwaartekracht op een voorwerp berekenen als de massa is gegeven.
  • Je kunt een kracht tekenen op een gegeven of een zelfgekozen krachtenschaal.

Slide 7 - Tekstslide

Een spiraalveer uitrekken

Slide 8 - Tekstslide

Een spiraalveer uitrekken
  • Als de kracht 2× zo groot wordt, wordt de uitrekking ook 2× zo groot.
  • Als de kracht 3× zo groot wordt, wordt de uitrekking ook 3× zo groot.
De uitrekking geeft dus aan hoe groot de kracht op de veer is. Dat betekent dat je met een spiraalveer de grootte van de kracht kunt meten.

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Krachtmeter
Sommige krachtmeters hebben een slappe veer. Zulke krachtmeters gebruik je om kleine krachten te meten.

Er zijn ook krachtmeters met een stugge veer. Die gebruik je als je grotere krachten moet meten. 

Slide 11 - Tekstslide

Verschillende krachtmeters

Slide 12 - Tekstslide

Hoeveel newton geven de meters aan?

Slide 13 - Tekstslide

a=0,67 N       b= 3,8 N          c= 6,9 N

Slide 14 - Tekstslide

Grootheid en eenheid
Grootheid: iets wat je kunt meten
b.v.: lengte, temperatuur, tijd, kracht

Eenheid: afgesproken maat 
b.v.: meter, Kelvin, seconde, Newton

Slide 15 - Tekstslide

Grootheden en eenheden
bij krachten
Grootheid
Symbool
Eenheid
Symbool
kracht
F
Newton
N
massa
m
kilogram
kg
aantrekking
g
newton per kg
N/kg

Slide 16 - Tekstslide

Zwaartekracht  Fz
Je kunt de zwaartekracht op een voorwerp berekenen met de formule:

Zwaartekracht = massa van het voorwerp x sterkte van de zwaartekracht

of in symbolen:
Fz=mg

Slide 17 - Tekstslide


In deze formule is:
  • Fz   de zwaartekracht op een voorwerp
  • m    de massa van het voorwerp in kilogram (kg)
  • g     de sterkte van de zwaartekracht in newton per kilogram (N/kg)
Fz=mg

Slide 18 - Tekstslide

Voorbeeld 1
Bereken de zwaartekracht op een mens van 60 kg?

  • Gegeven: m = 60 kg (en g altijd 10 N/kg op aarde)
  • Gevraagd: Fz = ?
  • Uitwerking: Fz = m * g = 60 x 10 = 600 N

Slide 19 - Tekstslide

Voorbeeld 2
Zes appels hebben samen een massa van 800 gram
Bereken de zwaartekracht op de appels.

  • Gegeven: m = 800 g = 0,8 kg (en g altijd 10 N/kg op aarde)
  • Gevraagd: Fz = ?
  • Uitwerking: Fz = m * g = 0,8 x 10 = 8 N

Slide 20 - Tekstslide

Als je aan de veer een blokje hangt rekt de veer uit. De lengte die erbij komt heet:
A
de veerlengte
B
de uitrekking
C
spiraalveer
D
Fz

Slide 21 - Quizvraag

Een veer is 8 cm lang. Bij 1 blokje aan de veer wordt het 9,5 cm. Hoe lang is het bij 5 blokjes?
A
13 cm
B
15,5 cm
C
17,5 cm
D
22,5 cm

Slide 22 - Quizvraag

Een stugge veer kan je
A
makkelijk uitrekken
B
moeilijk uitrekken

Slide 23 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met massa?
A
de hoeveelheid kilogram
B
de hoeveelheid deeg voor een brood
C
het aantal newton

Slide 24 - Quizvraag

De eenheid van kracht is
A
kilogram
B
Fz
C
newton
D
m

Slide 25 - Quizvraag

Hoe groot is de kracht op een peer van 250 g?
A
0,25 N
B
2,5 N
C
25 N
D
250 N

Slide 26 - Quizvraag

De krachtenschaal is 1 cm ≙ 50 N
Hoe lang teken je een kracht van
225 N?
A
11,25 cm
B
0,02 cm
C
4,5 cm
D
275 N

Slide 27 - Quizvraag

Welke schaal kun je het best gebruiken voor een kracht van 4.500 N
A
1 cm ≙ 1000 N
B
1 cm ≙ 500 N
C
1 cm ≙ 450 N
D
1 cm ≙ 2250 N

Slide 28 - Quizvraag

Iris kan een expander (zie plaatje) met drie
veren 30 cm uitrekken. Marieke kan een
expander met twee veren 40 cm uitrekken.
Wie oefent de grootste kracht uit?
A
Iris
B
Marieke
C
Evenveel
D
Kun je niet weten

Slide 29 - Quizvraag

Een veer heeft in ongespannen toestand een lengte van 12,0 cm. Hoe groot is de uitrekking als de nieuwe lengte 15,0 cm is?
A
kun. je niet weten
B
3,0 cm
C
12,0 cm
D
15,0 cm

Slide 30 - Quizvraag

Welke veerunster bevat de sterkste veer.
A
linker
B
middelste
C
rechter

Slide 31 - Quizvraag

Opdracht
Maak H3 introductie +
3.1 + 3.2

Slide 32 - Tekstslide