Arm en rijk (Economie vmbo), les 2: Examentraining

INTERNATIONAAL · ONTWIKKELINGSLANDEN

Examentraining

Arm en rijk: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met casusvragen over kenmerken, oorzaken en gevolgen, nationaal inkomen per hoofd, soorten hulp en het beoordelen van maatregelen, met verzonnen voorbeeldlanden.

Onderdelen in deze les

INTERNATIONAAL · ONTWIKKELINGSLANDEN

Examentraining

Arm en rijk: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: safaritravelplus / Wikimedia Commons, CC0

INTERNATIONAAL · ONTWIKKELINGSLANDEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over ontwikkelingslanden en welvaartsverschillen beantwoorden met een casus.

Deze slide heeft geen instructies

INTERNATIONAAL · ONTWIKKELINGSLANDEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: de casus. Welk land, welk gegeven, wat wordt gevraagd?

  • 2. Zoek: het begrip: kenmerk, oorzaak, gevolg, maatregel of soort hulp.

  • 3. Reken: schrijf de gegevens op en controleer twee keer.

  • 4. Kies: het antwoord en controleer of de andere opties echt niet kloppen.

Deze slide heeft geen instructies

INTERNATIONAAL · ONTWIKKELINGSLANDEN

Vraagtype 1: kenmerken, oorzaken en gevolgen

  • Kenmerken: laag inkomen, werkloosheid, ondervoeding, snelle bevolkingsgroei, laaggeletterdheid.

  • Oorzaken: tekort aan hulpbronnen, weinig scholing, slechte infrastructuur.

  • Vraag bij elke casus: wat zie je, en is het een kenmerk, oorzaak of gevolg?

Casus met verzonnen landen. De tweede vraag is alleen KB en GL/TL.

In Land A hebben mensen te weinig eten en geen werk. Welke kenmerken?

A

Grote welvaart en lage werkloosheid

B

Laaggeletterdheid en een hoog inkomen

C

Weinig kinderen en hoge levensverwachting

D

Ondervoeding en grote werkloosheid

Te weinig eten is ondervoeding, geen werk is werkloosheid. Verwachte fout: een optie met een hoog inkomen kiezen.

Land B verkoopt vooral koffie en de prijs daalt. Wat gebeurt er met het inkomen?

A

Het stijgt, want er is dan meer vraag

B

Het daalt, want het land leunt op één product

C

Het blijft gelijk, want de opbrengst is vast

D

Het stijgt, want de boeren telen meer

Alleen KB en GL/TL. Eenzijdige economische structuur: het inkomen hangt van de wereldmarktprijs af. Verwachte fout: denken dat een lagere prijs tot meer inkomen leidt.

INTERNATIONAAL · ONTWIKKELINGSLANDEN

Vraagtype 2: nationaal inkomen per hoofd

  • Nationaal inkomen per hoofd = nationaal inkomen : aantal inwoners.

  • Schrijf de som met alle nullen of met miljoen en miljard.

  • Vergelijk daarna: hoeveel keer zo hoog is het ene land als het andere?

Alle leerwegen. Controle: 80 miljard : 20 miljoen = 4.000. En 20.000 : 2.000 = 10. Gegevens van landen zijn verzonnen.

Land C: nationaal inkomen 80 miljard euro, 20 miljoen inwoners. Per hoofd?

A

400 euro

B

40.000 euro

C

4.000 euro

D

250 euro

80 miljard : 20 miljoen = 4.000. Verwachte fouten: een nul te veel of te weinig, of omdraaien (250).

Land D: 2.000 euro per hoofd. Land E: 20.000 euro. Hoeveel keer zo hoog is E?

A

10 keer

B

18 keer

C

2 keer

D

100 keer

20.000 : 2.000 = 10. Verwachte fout: het verschil nemen (18.000) en daar een aantal keren van maken.

INTERNATIONAAL · ONTWIKKELINGSLANDEN

Vraagtype 3: soorten hulp herkennen

  • Noodhulp: korte termijn, na een ramp. Structurele hulp: lange termijn.

  • Gebonden hulp: het geld moet naar producten van het gevende land. Ongebonden hulp: vrij te besteden.

  • Vraag bij elke casus: hoe lang werkt de hulp, en wat mag het land ermee?

Noodhulp is voor alle leerwegen, gebonden hulp alleen KB en GL/TL.

Na een overstroming stuurt Nederland tenten en eten. Welke hulp is dit?

A

Structurele hulp

B

Noodhulp

C

Kwijtschelding

D

Microkrediet

Hulp na een ramp op korte termijn is noodhulp. Verwachte fout: structurele hulp.

Een land krijgt geld, maar moet daarmee Nederlandse producten kopen. Welke hulp?

A

Ongebonden hulp

B

Noodhulp

C

Kwijtschelding

D

Gebonden hulp

Alleen KB en GL/TL. Het geld is gebonden aan producten van het gevende land. Verwachte fout: ongebonden hulp.

INTERNATIONAAL · ONTWIKKELINGSLANDEN

Vraagtype 4: maatregelen beoordelen

  • Kijk wie er voordeel heeft: het ontwikkelingsland, het rijke land of beide.

  • Denk aan werk, inkomen en bestedingen.

  • Geef een argument: omdat ... dus ...

De eerste vraag is voor alle leerwegen, de tweede alleen KB en GL/TL.

Rijke landen verlagen invoerrechten op koffie. Wat gebeurt er in het koffieland?

A

Het kan meer koffie verkopen en meer verdienen

B

Koffie wordt duurder, dus de vraag daalt

C

De werkloosheid in het koffieland stijgt

D

Het koffieland moet meer koffie invoeren

Lagere invoerrechten maken koffie goedkoper in het rijke land, dus meer afzet. Voor Nederland kan er concurrentie zijn voor eigen producenten.

Noem een kenmerk van een zachte lening.

Alleen KB en GL/TL. Goed: lage rente of lange looptijd (gunstige voorwaarden). Verwachte fout: 'je hoeft niets terug te betalen'.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Kenmerken, oorzaken en gevolgen

2

Nationaal inkomen per hoofd

3

Soorten hulp herkennen

4

Maatregelen beoordelen

Deze slide heeft geen instructies

INTERNATIONAAL · ONTWIKKELINGSLANDEN

Tips voor op het examen

  • Kenmerk, oorzaak en gevolg: vraag je af wat er eerst was en wat daaruit volgt.

  • Nationaal inkomen per hoofd: deel altijd door het aantal inwoners.

  • Noodhulp is kort, structurele hulp is lang.

  • Bij maatregelen: kijk naar werk, inkomen en bestedingen in beide landen.

Deze slide heeft geen instructies