INFLATIE · KOOPKRACHT
Examentraining
Inflatie en koopkracht: zo pak je examenvragen aan
INFLATIE · KOOPKRACHT
Examentraining
Inflatie en koopkracht: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: G.Lanting / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
INFLATIE · KOOPKRACHT
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over inflatie, indexcijfers en koopkracht beantwoorden met een casus.
Deze slide heeft geen instructies
INFLATIE · KOOPKRACHT
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: de casus. Welke prijzen, indexcijfers of percentages staan erbij?
2. Zoek: wat wordt gevraagd: een indexcijfer, de inflatie, het reële inkomen of een oorzaak of gevolg.
3. Reken: zet de som op papier, reken stap voor stap en controleer twee keer.
4. Kies: het antwoord en kijk of het logisch is: boven 100 is duurder, onder 100 goedkoper.
Deze slide heeft geen instructies
INFLATIE · KOOPKRACHT
Een groentewinkel, 2024
Vraagtype 1: indexcijfers berekenen
Partieel: prijs nieuw jaar : prijs basisjaar x 100.
Gewogen: som van (indexcijfer x gewicht) : som van de gewichten.
Alleen GL/TL. Image credit: Silar / Wikimedia Commons, CC0
Een telefoonabonnement kostte in het basisjaar 40 euro per maand, nu 44 euro. Partieel indexcijfer?
10
110
4
84
44 : 40 = 1,1 dus 110. Verwachte fouten: het percentage (10), het verschil in euro's (4) of optellen (84).
Wonen: index 104, gewicht 6. Vervoer: index 110, gewicht 4. Gewogen indexcijfer?
107
214
1.064
106,4
104 x 6 = 624 en 110 x 4 = 440, samen 1.064, en 6 + 4 = 10, dus 1.064 : 10 = 106,4. Verwachte fouten: ongewogen (104 + 110) : 2 = 107, optellen (214) of niet delen (1.064).
INFLATIE · KOOPKRACHT
Supermarkt in winkelcentrum Heksenwiel, Breda, 2017
Vraagtype 2: inflatie berekenen
Inflatie in % = stijging van de CPI : oude CPI x 100%.
Daalt de CPI, dan is er deflatie.
Alleen GL/TL. Image credit: G.Lanting / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
De CPI stijgt van 125 naar 130. Inflatie?
4%
5%
3,8%
130%
130 - 125 = 5 en 5 : 125 = 0,04 dus 4%. Verwachte fouten: de punten als procenten (5%), delen door de nieuwe CPI (5 : 130 is ongeveer 3,8%) of de CPI zelf (130%).
De CPI daalt van 200 naar 196. Wat gebeurt er?
Inflatie van 2%
Deflatie van 4%
Deflatie van 2%
Inflatie van 4%
200 - 196 = 4 en 4 : 200 = 0,02 dus 2%. De CPI daalt, dus deflatie. Verwachte fouten: de punten als procenten (4%) of de daling als inflatie zien.
INFLATIE · KOOPKRACHT
Tramconducteurs gaan naar het stadhuis voor loonsverhoging, 1953
Vraagtype 3: reëel inkomen en prijscompensatie
Reële verandering in % = nominale verandering in % min inflatie in %.
Prijscompensatie: het nominale loon stijgt met de inflatie.
Alleen GL/TL. Image credit: Herbert Behrens / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
Loon stijgt 3%, inflatie is 5%. Wat gebeurt er met het reële inkomen?
Het stijgt met ongeveer 2%
Het stijgt met ongeveer 8%
Het daalt met ongeveer 2%
Het blijft gelijk
3% - 5% = -2%. Verwachte fouten: het verschil omdraaien (stijgt 2%), optellen (8%) of denken dat meer loon altijd meer koopkracht is.
Inflatie is 2%. Maaike verdient 2.000 euro per maand en krijgt volledige prijscompensatie. Nieuw loon?
2.040 euro
2.002 euro
2.400 euro
1.960 euro
2% van 2.000 = 40 en 2.000 + 40 = 2.040. Verwachte fouten: 2% als 2 euro (2.002), 20% nemen (2.400) of aftrekken (1.960).
INFLATIE · KOOPKRACHT
Prijsbord bij een tankstation bij Vierpolders, 2026
Vraagtype 4: oorzaken en gevolgen herkennen
Oorzaken: vraag groter dan aanbod, hogere kosten, duurdere import, hogere winstmarge, bezettingsgraad.
Gevolgen: koopkrachtdaling, onzekerheid, slechtere concurrentiepositie, andere vermogensposities.
Alleen GL/TL. Image credit: YosemiteYamper / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Een bedrijf maakt bijna zo veel als het maximaal kan en verhoogt de prijzen. Wat hoort hierbij?
Deflatie
Een lagere vraag naar producten
Een lagere winstmarge
Een hoge bezettingsgraad
Bijna de volledige productiecapaciteit in gebruik betekent een hoge bezettingsgraad, en dan kunnen prijzen stijgen.
Nederlandse kaas wordt door inflatie duurder dan Duitse kaas. Welk gevolg?
Hogere koopkracht
Slechtere concurrentiepositie
Deflatie
Prijscompensatie
Duurdere producten dan die van het buitenland: een slechtere (internationale) concurrentiepositie.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Indexcijfers berekenen
Inflatie berekenen
Reëel inkomen en prijscompensatie
Oorzaken en gevolgen herkennen
Deze slide heeft geen instructies
INFLATIE · KOOPKRACHT
Tips voor op het examen
Indexcijfer: nieuwe prijs delen door de prijs in het basisjaar, maal 100.
Inflatie: de stijging van de CPI delen door de oude CPI, niet door de nieuwe.
Reëel inkomen: nominale verandering min inflatie.
Reken twee keer en kijk of de uitkomst logisch is.
Deze slide heeft geen instructies