Inflatie en koopkracht (Economie vmbo), les 2: Examentraining

INFLATIE · KOOPKRACHT

Examentraining

Inflatie en koopkracht: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met casusvragen over indexcijfers, inflatie berekenen, reëel inkomen, prijscompensatie en oorzaken en gevolgen van prijsstijging.

Onderdelen in deze les

INFLATIE · KOOPKRACHT

Examentraining

Inflatie en koopkracht: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: G.Lanting / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

INFLATIE · KOOPKRACHT

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over inflatie, indexcijfers en koopkracht beantwoorden met een casus.

Deze slide heeft geen instructies

INFLATIE · KOOPKRACHT

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: de casus. Welke prijzen, indexcijfers of percentages staan erbij?

  • 2. Zoek: wat wordt gevraagd: een indexcijfer, de inflatie, het reële inkomen of een oorzaak of gevolg.

  • 3. Reken: zet de som op papier, reken stap voor stap en controleer twee keer.

  • 4. Kies: het antwoord en kijk of het logisch is: boven 100 is duurder, onder 100 goedkoper.

Deze slide heeft geen instructies

INFLATIE · KOOPKRACHT

Een groentewinkel, 2024

Vraagtype 1: indexcijfers berekenen

  • Partieel: prijs nieuw jaar : prijs basisjaar x 100.

  • Gewogen: som van (indexcijfer x gewicht) : som van de gewichten.

Alleen GL/TL. Image credit: Silar / Wikimedia Commons, CC0

Een telefoonabonnement kostte in het basisjaar 40 euro per maand, nu 44 euro. Partieel indexcijfer?

A

10

B

110

C

4

D

84

44 : 40 = 1,1 dus 110. Verwachte fouten: het percentage (10), het verschil in euro's (4) of optellen (84).

Wonen: index 104, gewicht 6. Vervoer: index 110, gewicht 4. Gewogen indexcijfer?

A

107

B

214

C

1.064

D

106,4

104 x 6 = 624 en 110 x 4 = 440, samen 1.064, en 6 + 4 = 10, dus 1.064 : 10 = 106,4. Verwachte fouten: ongewogen (104 + 110) : 2 = 107, optellen (214) of niet delen (1.064).

INFLATIE · KOOPKRACHT

Supermarkt in winkelcentrum Heksenwiel, Breda, 2017

Vraagtype 2: inflatie berekenen

  • Inflatie in % = stijging van de CPI : oude CPI x 100%.

  • Daalt de CPI, dan is er deflatie.

Alleen GL/TL. Image credit: G.Lanting / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

De CPI stijgt van 125 naar 130. Inflatie?

A

4%

B

5%

C

3,8%

D

130%

130 - 125 = 5 en 5 : 125 = 0,04 dus 4%. Verwachte fouten: de punten als procenten (5%), delen door de nieuwe CPI (5 : 130 is ongeveer 3,8%) of de CPI zelf (130%).

De CPI daalt van 200 naar 196. Wat gebeurt er?

A

Inflatie van 2%

B

Deflatie van 4%

C

Deflatie van 2%

D

Inflatie van 4%

200 - 196 = 4 en 4 : 200 = 0,02 dus 2%. De CPI daalt, dus deflatie. Verwachte fouten: de punten als procenten (4%) of de daling als inflatie zien.

INFLATIE · KOOPKRACHT

Tramconducteurs gaan naar het stadhuis voor loonsverhoging, 1953

Vraagtype 3: reëel inkomen en prijscompensatie

  • Reële verandering in % = nominale verandering in % min inflatie in %.

  • Prijscompensatie: het nominale loon stijgt met de inflatie.

Alleen GL/TL. Image credit: Herbert Behrens / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

Loon stijgt 3%, inflatie is 5%. Wat gebeurt er met het reële inkomen?

A

Het stijgt met ongeveer 2%

B

Het stijgt met ongeveer 8%

C

Het daalt met ongeveer 2%

D

Het blijft gelijk

3% - 5% = -2%. Verwachte fouten: het verschil omdraaien (stijgt 2%), optellen (8%) of denken dat meer loon altijd meer koopkracht is.

Inflatie is 2%. Maaike verdient 2.000 euro per maand en krijgt volledige prijscompensatie. Nieuw loon?

A

2.040 euro

B

2.002 euro

C

2.400 euro

D

1.960 euro

2% van 2.000 = 40 en 2.000 + 40 = 2.040. Verwachte fouten: 2% als 2 euro (2.002), 20% nemen (2.400) of aftrekken (1.960).

INFLATIE · KOOPKRACHT

Prijsbord bij een tankstation bij Vierpolders, 2026

Vraagtype 4: oorzaken en gevolgen herkennen

  • Oorzaken: vraag groter dan aanbod, hogere kosten, duurdere import, hogere winstmarge, bezettingsgraad.

  • Gevolgen: koopkrachtdaling, onzekerheid, slechtere concurrentiepositie, andere vermogensposities.

Alleen GL/TL. Image credit: YosemiteYamper / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Een bedrijf maakt bijna zo veel als het maximaal kan en verhoogt de prijzen. Wat hoort hierbij?

A

Deflatie

B

Een lagere vraag naar producten

C

Een lagere winstmarge

D

Een hoge bezettingsgraad

Bijna de volledige productiecapaciteit in gebruik betekent een hoge bezettingsgraad, en dan kunnen prijzen stijgen.

Nederlandse kaas wordt door inflatie duurder dan Duitse kaas. Welk gevolg?

A

Hogere koopkracht

B

Slechtere concurrentiepositie

C

Deflatie

D

Prijscompensatie

Duurdere producten dan die van het buitenland: een slechtere (internationale) concurrentiepositie.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Indexcijfers berekenen

2

Inflatie berekenen

3

Reëel inkomen en prijscompensatie

4

Oorzaken en gevolgen herkennen

Deze slide heeft geen instructies

INFLATIE · KOOPKRACHT

Tips voor op het examen

  • Indexcijfer: nieuwe prijs delen door de prijs in het basisjaar, maal 100.

  • Inflatie: de stijging van de CPI delen door de oude CPI, niet door de nieuwe.

  • Reëel inkomen: nominale verandering min inflatie.

  • Reken twee keer en kijk of de uitkomst logisch is.

Deze slide heeft geen instructies