CONSUMPTIE · INKOMEN
Examentraining
Inkomen en verdeling: zo pak je examenvragen aan
CONSUMPTIE · INKOMEN
Examentraining
Inkomen en verdeling: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Poppe de Boer / Wikimedia Commons, CC0
CONSUMPTIE · INKOMEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over inkomen, inkomensverschillen en de positie van de consument beantwoorden.
Deze slide heeft geen instructies
CONSUMPTIE · INKOMEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: de casus. Wie krijgt welk geld, en van wie?
2. Zoek: het begrip: arbeid, bezit, overdracht, productiefactor of koopkracht.
3. Reken: schrijf de som op, reken stap voor stap en zet de eenheid erbij.
4. Controleer: reken twee keer na en kijk of het antwoord logisch is.
Deze slide heeft geen instructies
CONSUMPTIE · INKOMEN
Vraagtype 1: soort inkomen herkennen
Vraag: werkt iemand ervoor, bezit iemand iets, of geeft de overheid het?
Arbeid is loon of salaris voor werk. Bezit is bijvoorbeeld rente of huur.
Overdracht is bijvoorbeeld kinderbijslag, toeslagen, bijstand of studiebeurs.
Veelgemaakte fout: de studiebeurs een loon noemen.
Daan krijgt kinderbijslag voor zijn dochter. Welk soort inkomen is dit?
Inkomen uit overdrachten
Inkomen uit arbeid
Inkomen uit bezit
Een lening van de bank
Kinderbijslag komt van de overheid zonder dat je er direct voor werkt: overdracht.
Fatima verhuurt haar zolderkamer en krijgt maandelijks huur. Welk soort inkomen is dit?
Inkomen uit arbeid
Inkomen uit overdrachten
Inkomen uit bezit
Een gift van een vriend
Huur krijg je doordat je iets bezit: inkomen uit bezit.
CONSUMPTIE · INKOMEN
Vraagtype 2: rekenen met inkomen
Loon is het uurloon keer het aantal uren.
Het aandeel in procenten is: deel gedeeld door totaal, keer 100.
Schrijf elke stap op en zet er euro of procent bij.
Voorbeeld: 8 euro per uur keer 5 uur is 40 euro. Aandeel: 40 van 200 euro is 40 gedeeld door 200 is 0,2, dus 20%.
Jesse werkt 15 uur per week voor 10 euro per uur. Hoeveel loon krijgt hij per week?
25 euro
100 euro
150 euro
1.500 euro
10 x 15 = 150. Verwachte fouten: optellen (25) of een nul te veel (1.500).
Mila heeft 500 euro per maand: 400 euro loon en 100 euro studiebeurs. Hoeveel procent is loon?
80%
20%
25%
50%
400 gedeeld door 500 = 0,8, dus 80%. Verwachte fouten: het aandeel van de studiebeurs (20%) of 100 gedeeld door 400 (25%).
CONSUMPTIE · INKOMEN
Productiefactoren en hun beloning
Vraagtype 3: productiefactoren en nationaal inkomen
Welke productiefactor hoort bij welke beloning?
Het nationaal inkomen is de som van alle beloningen.
Tel alle onderdelen op en vergeet er geen.
Alleen KB en GL/TL. Controle van de som: 500 + 150 = 650, + 50 = 700, + 100 = 800. Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0
Lonen 500, rente en huur 150, pacht 50, winst 100 (miljoen euro). Hoe groot is het nationaal inkomen?
650 miljoen euro
700 miljoen euro
750 miljoen euro
800 miljoen euro
500 + 150 + 50 + 100 = 800. De fouten komen door een onderdeel vergeten: pacht, winst of beide.
Een bedrijf leent geld voor een machine en betaalt rente. Welke productiefactor krijgt rente?
Natuur
Kapitaal
Arbeid
Ondernemerschap
Rente (en huur) is de beloning voor kapitaal.
CONSUMPTIE · INKOMEN
Een Lorenzcurve in een verzonnen land
Vraagtype 4: inkomensverdeling en koopkracht
Lees de assen: het aandeel huishoudens en het aandeel in het inkomen.
Het deel van de rijken is 100% min het deel van de armen.
Is de rode lijn dichter bij de blauwe lijn, dan is de verdeling gelijker.
Alleen KB en GL/TL. Controle: 100 - 30 = 70. Koopkracht: wat je met je inkomen kunt kopen. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0
De armste 60% krijgt 30% van het inkomen. Hoeveel krijgt de rijkste 40%?
70%
30%
40%
60%
100 - 30 = 70. Verwachte fout: 60% of 40% kiezen, de getallen uit de vraag.
De Lorenzcurve schuift naar de blauwe lijn toe. Wat betekent dat?
De verdeling wordt ongelijker
Het nationaal inkomen daalt
De verdeling wordt gelijker
Iedereen heeft minder koopkracht
Dichter bij de blauwe lijn is dichter bij een gelijke verdeling.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Soort inkomen herkennen
Rekenen met inkomen
Productiefactoren en nationaal inkomen
Inkomensverdeling en koopkracht
Deze slide heeft geen instructies
CONSUMPTIE · INKOMEN
Tips voor op het examen
Twijfel je tussen arbeid, bezit en overdracht? Vraag: werk ik ervoor, bezit ik iets, of geeft de overheid het?
Bij sommen: schrijf de som op, reken twee keer na en zet er euro of procent bij.
Bij een Lorenzcurve: lees eerst de assen en bedenk dan wat de blauwe lijn betekent.
Deze slide heeft geen instructies