Inkomen en verdeling (Economie vmbo), les 2: Examentraining

CONSUMPTIE · INKOMEN

Examentraining

Inkomen en verdeling: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met casusvragen over soorten inkomen, rekenen met loon en procenten, productiefactoren en nationaal inkomen, inkomensverdeling en koopkracht.

Onderdelen in deze les

CONSUMPTIE · INKOMEN

Examentraining

Inkomen en verdeling: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Poppe de Boer / Wikimedia Commons, CC0

CONSUMPTIE · INKOMEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over inkomen, inkomensverschillen en de positie van de consument beantwoorden.

Deze slide heeft geen instructies

CONSUMPTIE · INKOMEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: de casus. Wie krijgt welk geld, en van wie?

  • 2. Zoek: het begrip: arbeid, bezit, overdracht, productiefactor of koopkracht.

  • 3. Reken: schrijf de som op, reken stap voor stap en zet de eenheid erbij.

  • 4. Controleer: reken twee keer na en kijk of het antwoord logisch is.

Deze slide heeft geen instructies

CONSUMPTIE · INKOMEN

Vraagtype 1: soort inkomen herkennen

  • Vraag: werkt iemand ervoor, bezit iemand iets, of geeft de overheid het?

  • Arbeid is loon of salaris voor werk. Bezit is bijvoorbeeld rente of huur.

  • Overdracht is bijvoorbeeld kinderbijslag, toeslagen, bijstand of studiebeurs.

Veelgemaakte fout: de studiebeurs een loon noemen.

Daan krijgt kinderbijslag voor zijn dochter. Welk soort inkomen is dit?

A

Inkomen uit overdrachten

B

Inkomen uit arbeid

C

Inkomen uit bezit

D

Een lening van de bank

Kinderbijslag komt van de overheid zonder dat je er direct voor werkt: overdracht.

Fatima verhuurt haar zolderkamer en krijgt maandelijks huur. Welk soort inkomen is dit?

A

Inkomen uit arbeid

B

Inkomen uit overdrachten

C

Inkomen uit bezit

D

Een gift van een vriend

Huur krijg je doordat je iets bezit: inkomen uit bezit.

CONSUMPTIE · INKOMEN

Vraagtype 2: rekenen met inkomen

  • Loon is het uurloon keer het aantal uren.

  • Het aandeel in procenten is: deel gedeeld door totaal, keer 100.

  • Schrijf elke stap op en zet er euro of procent bij.

Voorbeeld: 8 euro per uur keer 5 uur is 40 euro. Aandeel: 40 van 200 euro is 40 gedeeld door 200 is 0,2, dus 20%.

Jesse werkt 15 uur per week voor 10 euro per uur. Hoeveel loon krijgt hij per week?

A

25 euro

B

100 euro

C

150 euro

D

1.500 euro

10 x 15 = 150. Verwachte fouten: optellen (25) of een nul te veel (1.500).

Mila heeft 500 euro per maand: 400 euro loon en 100 euro studiebeurs. Hoeveel procent is loon?

A

80%

B

20%

C

25%

D

50%

400 gedeeld door 500 = 0,8, dus 80%. Verwachte fouten: het aandeel van de studiebeurs (20%) of 100 gedeeld door 400 (25%).

CONSUMPTIE · INKOMEN

Productiefactoren en hun beloning

Vraagtype 3: productiefactoren en nationaal inkomen

  • Welke productiefactor hoort bij welke beloning?

  • Het nationaal inkomen is de som van alle beloningen.

  • Tel alle onderdelen op en vergeet er geen.

Alleen KB en GL/TL. Controle van de som: 500 + 150 = 650, + 50 = 700, + 100 = 800. Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

Lonen 500, rente en huur 150, pacht 50, winst 100 (miljoen euro). Hoe groot is het nationaal inkomen?

A

650 miljoen euro

B

700 miljoen euro

C

750 miljoen euro

D

800 miljoen euro

500 + 150 + 50 + 100 = 800. De fouten komen door een onderdeel vergeten: pacht, winst of beide.

Een bedrijf leent geld voor een machine en betaalt rente. Welke productiefactor krijgt rente?

A

Natuur

B

Kapitaal

C

Arbeid

D

Ondernemerschap

Rente (en huur) is de beloning voor kapitaal.

CONSUMPTIE · INKOMEN

Een Lorenzcurve in een verzonnen land

Vraagtype 4: inkomensverdeling en koopkracht

  • Lees de assen: het aandeel huishoudens en het aandeel in het inkomen.

  • Het deel van de rijken is 100% min het deel van de armen.

  • Is de rode lijn dichter bij de blauwe lijn, dan is de verdeling gelijker.

Alleen KB en GL/TL. Controle: 100 - 30 = 70. Koopkracht: wat je met je inkomen kunt kopen. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

De armste 60% krijgt 30% van het inkomen. Hoeveel krijgt de rijkste 40%?

A

70%

B

30%

C

40%

D

60%

100 - 30 = 70. Verwachte fout: 60% of 40% kiezen, de getallen uit de vraag.

De Lorenzcurve schuift naar de blauwe lijn toe. Wat betekent dat?

A

De verdeling wordt ongelijker

B

Het nationaal inkomen daalt

C

De verdeling wordt gelijker

D

Iedereen heeft minder koopkracht

Dichter bij de blauwe lijn is dichter bij een gelijke verdeling.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Soort inkomen herkennen

2

Rekenen met inkomen

3

Productiefactoren en nationaal inkomen

4

Inkomensverdeling en koopkracht

Deze slide heeft geen instructies

CONSUMPTIE · INKOMEN

Tips voor op het examen

  • Twijfel je tussen arbeid, bezit en overdracht? Vraag: werk ik ervoor, bezit ik iets, of geeft de overheid het?

  • Bij sommen: schrijf de som op, reken twee keer na en zet er euro of procent bij.

  • Bij een Lorenzcurve: lees eerst de assen en bedenk dan wat de blauwe lijn betekent.

Deze slide heeft geen instructies