RT les 2 spelling algemeen

We beginnen met 10 minuten lezen
timer
10:00
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
RTMiddelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

We beginnen met 10 minuten lezen
timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
-lezen
-nakijken / bespreken huiswerk
-Plannen bespreken
-les 2 RT spelling bespreken
- huiswerk bespreken en maken

Slide 2 - Tekstslide

oefening 1:  kaken ( open =     )
broden 
beesten 
spieren 
vuren 
soorten 
kaarten 
peren 
koren 
draden 
oefening 2: 1. spaak 
2. heer 
3. schaduw ,        maar  "w' achter de "u".)
4. muur         5. poort 
6. probleem         
7.apparaat        
 8. spriet 
9. staart
10. schuur 

Slide 3 - Tekstslide

oefening 3
definitief 
dirigent
kwestie              - eind van het woord
activiteiten
politicus
crimineel
februari                         ( maand!)
vakantie            - eind van het woord
alibi                     - uit andere taal
piramides                       
Oefening 4
kritiek
fabrikanten
kiwi's
positie                      - eind v.h. het woord
benzine
pyjama                      - weet woord
juni                                         ( maand)
penalty                      - weet woord 
yell                               - weet woord
millimeter                 

Slide 4 - Tekstslide

Remedial Teaching
les 2
Algemene spelling

Slide 5 - Tekstslide

Welk woord is goed geschreven?

A
abrikoos
B
abriekoos

Slide 6 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?

A
agressieviteit
B
agressiviteit

Slide 7 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
kritiek
B
krietiek

Slide 8 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
politicus
B
polieticus

Slide 9 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
ciclus
B
cyclus

Slide 10 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
hockeyen
B
hockieën

Slide 11 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
ponie
B
pony

Slide 12 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
indiaan
B
indieaan

Slide 13 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
hobbie
B
hobby

Slide 14 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
simbool
B
symbool

Slide 15 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven
A
alibie
B
alibi

Slide 16 - Quizvraag

Welk woord is goed geschreven?
A
volleyballen
B
vollieballen

Slide 17 - Quizvraag

Wat gaan we leren?
Woorden met een korte klank
Woorden met een stomme e
Tweeklanken

Wat heb je hiervoor nodig?
LessonUp
lesmateriaal in classroom

Slide 18 - Tekstslide

Welke letters waren ook al weer de korte klinkers?

Slide 19 - Open vraag

Korte klinkers
Korte klinkers staan in een gesloten lettergreep.

Makkelijker voorbeelden: balk, plek, klok, bos, schep enz.

Slide 20 - Tekstslide

Regel 2
  • Woord met meerdere lettergrepen EN een korte klinker, schrijf je met een dubbele medeklinker.
VB: pak - pakken
        put - putten
  • Als er al twee medeklinkers staan, dan verdubbel je die natuurlijk niet.
VB: balk - balken
        jurk - jurken

Slide 21 - Tekstslide

De stomme -e-
In het Nederlands kunnen we de -e- op verschillende manieren uitspreken: 
  • Lange klank (ee) VB: spreken
  • Korte klank (e) VB: spel
  • Stomme -e- (uh) VB: middel

Slide 22 - Tekstslide

Regel 3
Na een stomme -e-, verdubbelt de medeklinker NIET!!
(dus een uitzondering op regel 2)

Voorbeelden:
knikker - knikkeren
wandel - wandelen
reken - rekenen

Slide 23 - Tekstslide

Andere uitzonderingen op regel 2
Woorden die eindigen op -el, -em, -es, -et, -ig, -ik of -il ,
waarbij de klemtoon niet op deze lettergreep ligt.

Voorbeelden:
havik - haviken
handig - handige
adem - ademen

Slide 24 - Tekstslide

Woorden met tweeklanken
We kennen dus: lange klinkers, korte klinkers en de stomme "e".
Daar hoort nog een groep  bij, die we tweeklanken noemen.
We kennen de zuivere tweeklanken:
- ei ( ij) zoals in beide, klein, misleiden, fijn, pijn, tijd
- ou (au) zoals in goud, koud, oud, blauw, flauw, saus
- ui, zoals in fruit, geluid, kuit, spruit
-oe zoals in boek, bezoek en proeven
-eu zoals in keus, neus, treuzelen

Slide 25 - Tekstslide

Regel 4
Na een tweeklank verdubbelt de medeklinker NIET.

Voorbeelden:
geit - geiten
fout - fouten
fluit - fluiten
deuk - deuken

Slide 26 - Tekstslide