Examentraining_tips

Wat neem je mee naar het biologie examen?

  • niet-grafische rekenmachine
  • (reserve-)pen, tekenpotlood, gum, geodriehoek en arceerstiften
  • Eventueel NL-woordenboek
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 5,6

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Wat neem je mee naar het biologie examen?

  • niet-grafische rekenmachine
  • (reserve-)pen, tekenpotlood, gum, geodriehoek en arceerstiften
  • Eventueel NL-woordenboek

Slide 1 - Tekstslide

Welk type vragen kom je tegen?
  • Open vragen: aantal punten meestal gelijk aan aantal
      denkstappen
  • Meerkeuze vragen

In de examens kunnen meerkeuzevragen voorkomen voor 1 punt en voor 2 punten, dit is nieuw. Het aantal punten dat aan een  meerkeuze-vraag wordt toegekend, hangt in principe samen met het aantal denkstappen dat je moet maken om tot het antwoord te komen.
LET OP!

Slide 2 - Tekstslide

Er zijn verschillende soorten open vragen
Hoe te herkennen?
Feitenkennis
Noem..
Met welke term…
Wat is…
Geef een omschrijving van …
Verklaring / toelichting
Geef een verklaring voor…
Inzicht
Leg uit….
Bereken…
Mening
Beargumenteer…
Vaardigheden
Formuleer een hypothese
Maak een werkplan
Beschrijf een werkwijze…
Trek een conclusie

Slide 3 - Tekstslide

  Snoekkroketten
Leg met behulp van de gegevens uit de tabel uit wat de voornaamste oorzaak is van de constatering dat snoekkroketten inderdaad lichter verteerbaar zijn dan kippen-, rund- en varkensvleeskroketten.

Slide 4 - Tekstslide

1. Wat is de vraagstructuur?
Instructiewerkwoord + onderwerp + evt. verplicht gegevensgebruik of noteringsvoorwaarde




Uitleggen + oorzaak dat snoekkroketten lichter verteerbaar zijn dan kippen-, rund- en varkenskroketten + mbv gegevens uit de tabel


Slide 5 - Tekstslide

2. Wat is de antwoordstructuur?
Instructiewerkwoord als zelfstandig naamwoord + onderwerp + evt. verplicht gegevensgebruik of noteringsvoorwaarde



Uitleg + oorzaak dat snoekkroketten lichter verteerbaar zijn dan kippen-, rund- en varkenskroketten + m.b.v. gegevens uit de tabel


Slide 6 - Tekstslide

3. Naar welk verband wordt gevraagd?

Moet je een oorzaak/ gevolg uitleggen? Moet je een conclusie trekken uit de gegevens? Om dit te achterhalen kun je gebruik maken van de signaalwoorden uit de vraag.

Slide 7 - Tekstslide

3. Naar welk verband wordt gevraagd?

Slide 8 - Tekstslide

4. Over welk hoofdonderwerp in de Biologie gaat deze vraag?
Bedenk bij welk hoofdonderwerp deze vraag hoort. Dit kan je op het juiste spoor zetten voor te gebruiken BINAS tabellen of begrippen in het antwoord -> voeding en vertering

Slide 9 - Tekstslide

5. Welke gegevens uit de vraag kan ik gebruiken?

Lees de informatie uit de context gericht door om relevante gegevens te vinden die je nodig hebt voor het antwoord.
Arceer eventueel.

Slide 10 - Tekstslide

6. Welke gegevens/ kennis moet ik zelf toevoegen?
Bedenk welke kennis je nog moet toevoegen om het antwoord compleet te maken. Bedenk ook welke biologische begrippen waarschijnlijk in het antwoord moeten voorkomen: 
bv enzymen, koolhydraten, eiwitten, vetten, organen


Slide 11 - Tekstslide

7. Formuleer nu je antwoord
Herhaal de vraag + neem het signaalwoord dat past bij het verband in de vraag + voeg het hulpmiddel toe.



Snoekkroketten zijn lichter verteerbaar dan kippen-, rund- en varkensvleeskroketten omdat in de tabel staat dat ...

Slide 12 - Tekstslide

8. Maak het antwoord compleet
Voeg informatie uit de context en eigen informatie (kennis/ BINAS) toe om het antwoord compleet te maken.


Slide 13 - Tekstslide

9. Controle
Lees de vraag nog een keer goed door en kijk nog een keer kritisch naar je antwoord. 
  • Beantwoord je de vraag eigenlijk wel? 
  • Heb je alles wat je weet in je antwoord genoteerd? (docent = dom)
  • MC-vraag: hoofdletter van juiste antwoord?
  • Berekening: is de uitkomst realistisch + heb ik de eenheid genoteerd + evt. juist afgerond?



Slide 14 - Tekstslide

Compleet antwoord


Snoekkroketten zijn lichter verteerbaar dan kippen-, rund- en varkensvleeskroketten omdat in de tabel staat dat snoekkroketten per 100gr maar 1gr vet bevat (terwijl kip, rund, -en varkenskroketten 12-15x meer vet bevat) en vet langzamer verteert dan eiwitten en koolhydraten.

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Veel gemaakte fouten:
- Geen antwoord geven op de vraag 
- Onvolledige antwoorden (gebruik hele zinnen!)
- Alleen vraag herhalen (geen uitleg/nieuwe informatie)
- Te snel naar antwoord willen (werk denkstappen uit!)
- Meer redenen of voorbeelden geven dan gevraagd
- Alleen standpunt of mening geven zonder onderbouwing.

Slide 17 - Tekstslide

Grafieken tekenen
Je doet een onderzoek naar de invloed van verschillende zoutconcentraties in het milieu op de hartslagfrequentie van een watervlo. Je moet een grafiek tekenen. Hoe ziet deze eruit? 

Wat zet je op de X-as?
En wat op de Y-as?


Slide 18 - Tekstslide

Grafieken tekenen
Op de X-as komt dan de zoutconcentratie (je stopt namelijk de watervlo in vooraf bepaalde zoutconcentraties), op de Y-as komt de hartslagfrequentie (deze wil je onderzoeken/ meten).
Samengevat:
X-as: wat je weet (onafhankelijke variabele)
Y-as: wat je meet (afhankelijke variabele)

LET OP: zorg dat je de assen ook benoemt, inclusief grootheid (zoals tijd) en eenheid (zoals minuten). Zorg ook voor een mooie schaalverdeling. Teken de meetpunten én de grafieklijn, meestal een vloeiende lijn waar je geen liniaal voor gebruikt! Laat de lijn alleen door het 0,0 punt (de oorsprong) gaan als dat logisch is en uit de gegevens blijkt! 

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Voorbeeldvraag  (2p)
Riccardo had koorts. Bij koorts is het temperatuurcentrum in de hersenen ingesteld op een hogere temperatuur dan 370C. De verpleegkundige constateerde dat Riccardo rilde, een bleke kleur had en dat zijn lichaamstemperatuur nog steeds opliep.
Leg uit hoe door rillen de lichaamstemperatuur stijgt.

Slide 21 - Tekstslide

Voorbeeldvraag (strategie)
2p = 2 punten = in 2 stappen antwoord geven
Riccardo had koorts. Bij koorts is het temperatuurcentrum in de hersenen ingesteld op een hogere temperatuur dan 370C. De verpleegkundige constateerde dat Riccardo rilde, een bleke kleur had en dat zijn lichaamstemperatuur nog steeds opliep.
Leg uit hoe door rillen de lichaamstemperatuur stijgt.

Oorzaak-gevolg: oorzaak = rillen, gevolg = lichaamstemperatuur stijgt
Verband leggen: wat heeft rillen met temperatuurstijging te maken?

Slide 22 - Tekstslide

Verwacht antwoord 
maximumscore 2
Uit het antwoord moet blijken dat:
• het rillen wordt veroorzaakt door spiersamentrekkingen         1p
• waarbij warmte vrijkomt (ten gevolge van dissimilatie)             1p

Slide 23 - Tekstslide

Open vragen:
- Verbanden leggen (waarom werkt 't zo?  
- Uitleggen van begrippen (wat wordt bedoeld met?)
- Kunnen gestructureerd zijn (deelvragen) of ongestructureerd
- Geven van (andere) voorbeelden
- Toegepaste kennis via contexten (antwoord soms gegeven)
- Standpunten beargumenteren

Slide 24 - Tekstslide