Strafrecht hoofdstuk 3 (Cohort 2026)

1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
rechtenMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Vandaag 
- Bespreken hoofdstuk 3
- Huiswerk hoofdstuk 3 

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

In art. 178 lid 1 Sr staat: "Hij die een rechter een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk invloed uit te oefenen op de beslissing van een aan diens oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie."
Welk deel is de delictsomschrijving?
A
Hij die een rechter een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk invloed uit te oefenen op de beslissing van een aan diens oordeel onderworpen zaak
B
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.
C
Omkoping
D
met het oogmerk invloed uit te oefenen op de beslissing van een aan diens oordeel onderworpen zaak

Slide 4 - Quizvraag

In art. 178 lid 1 Sr staat: "Hij die een rechter een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk invloed uit te oefenen op de beslissing van een aan diens oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie."
Wat is de sanctienorm?
A
Hij die een rechter een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt
B
met het oogmerk invloed uit te oefenen op de beslissing van een aan diens oordeel onderworpen zaak
C
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.
D
Omkoping

Slide 5 - Quizvraag

In art. 244 Sr staat: "Hij die met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie."
Wat is de delictsomschrijving?
A
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie
B
Hij die met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam
C
Hij die met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren
D
wordt gestraft

Slide 6 - Quizvraag

In art. 244 Sr staat: "Hij die met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie."
Wat is de sanctienorm?
A
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
B
die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam
C
Hij die met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen pleegt
D
wordt gestraft

Slide 7 - Quizvraag

In art 262 lid 1 Sr staat: "Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie."
Wat is de delictsomschrijving?
A
wordt, als schuldig aan laster
B
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie
C
Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt
D
Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is

Slide 8 - Quizvraag

In art 262 lid 1 Sr staat: "Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie."
Wat is de kwalificatie?
A
laster
B
gestraft met gevangenisstraf
C
wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is
D
Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt

Slide 9 - Quizvraag

Bestanddelen 
Diefstal - art. 310 Sr:
Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

Slide 10 - Tekstslide

Bestanddelen 
bijv art. 310 Sr:
- enig goed
- dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort
- wegnemen
- oogmerk
- wederrechtelijk
- toe-eigenen

Slide 11 - Tekstslide

Wat zijn de bestanddelen van het onderstaande artikel?
Art. 244 Sr (seksueel misbruik minderjarigen): "Hij die met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie."

Slide 12 - Open vraag

Wat zijn de bestanddelen van het onderstaande artikel?
Art. 282 lid 1 Sr: "Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie."

Slide 13 - Open vraag

Wederrechtelijkheid, opzet en schuld

Slide 14 - Tekstslide

Paragraaf 3.3 tot en met 3.5
''Wederrechtelijkheid'', wat houdt dit begrip in?

Slide 15 - Open vraag

Wat is wederrechtelijkheid?
Wederrechtelijk zij die handelingen die in strijd zijn met het objectieve recht, de openbare orde of de goede zeden.

Slide 16 - Tekstslide

''Oké, maar nu even makkelijk?''
Wederrechtelijkheid betekent: weder het recht. Dus in strijd met het recht.

Heb je geen toestemming gegeven (of gekregen) voor het gedrag, dan is het gedrag strafbaar.

Slide 17 - Tekstslide

Wederrechtelijkheid
Wederrechtelijkheid
  • Betekent letterlijk ‘’in strijd met het recht’’ ofwel ''weder het recht;;
  • Wederrechtelijkheid moet altijd worden bewezen, ook al staat het niet in de wet.
  • Voorbeeld wel wederrechtelijkheid: Ik neem een boek weg van een van jullie, zonder toestemming te vragen.
  • Voorbeeld geen wederrechtelijkheid: Een arts voert een operatie uit, natuurlijk met toestemming van jezelf





Slide 18 - Tekstslide

Casus A
Situatie
Kevin is boos op zijn werkgever en steekt ’s avonds een stapel kartonnen dozen in brand in de opslagruimte van het bedrijf. Kevin weet dat de ruimte slecht geventileerd is en dat het vuur zich snel kan verspreiden naar het pand. Kevin verklaart later:
“Ik wilde het gebouw niet in brand zetten, maar ik wist dat het vuur zich kon uitbreiden. Dat nam ik voor lief.” Het vuur slaat over naar het pand en veroorzaakt grote schade.

Slide 19 - Tekstslide

Casus B
Situatie
Kevin is aan het opruimen in dezelfde opslagruimte en besluit kartonnen dozen te verbranden om ruimte te maken. Hij doet dit met een aansteker, zonder na te denken over de ventilatie in de ruimte. Kevin gaat ervan uit dat het vuur vanzelf zal doven. Het vuur slaat over naar het pand en veroorzaakt grote schade. Kevin verklaart later:
“Ik dacht niet dat het zo uit de hand kon lopen. Ik ging ervan uit dat het wel veilig was.”

Slide 20 - Tekstslide

Wat is het verschil tussen casus
A en casus B?

Slide 21 - Open vraag

Verschil Casus A en Casus B
Casus A - (voorwaardelijk) opzet

“Ik wilde het gebouw niet in brand zetten, maar ik wist dat het vuur zich kon uitbreiden. Dat nam ik voor lief.”

Casus B - (bewuste) schuld

“Ik dacht niet dat het zo uit de hand kon lopen. Ik ging ervan uit dat het wel veilig was.”

Slide 22 - Tekstslide

Opzet en Schuld
In Nederland kennen we opzet en schuld. 

Een misdrijf heeft altijd of opzet of schuld.

Beide zeggen iets over de intentie van de verdachte (Wat wilde de verdachte precies doen/Waar dacht de verdachte precies over na?)

We kennen de volgende onderdelen. Deze staan in volgorde van meest, naar minste intentie.
  • Oogmerk
  • Noodzakelijkheidsbewustzijn
  • Voorwaardelijk opzet
  • Bewuste schuld
  • Onbewuste schuld 

Slide 23 - Tekstslide

Oogmerk
''Ik wist wat ik deed en ik wilde dit ook doen''
Je bent dus alleen strafbaar als je wist wat je deed en je dit ook hebt gedaan






Slide 24 - Tekstslide

Noodzakelijkheidsbewustzijn
''Ik wilde het niet, maar ik wist wel dat het zou gebeuren''
Het is niet je doel, maar wel een bijkomstigheid waarvan je weet dat dat ook gaat gebeuren 
Voorbeeld
Een kapitein van een schip verkeert in ernstige financiële problemen.
Hij weet dat hij alleen een grote uitkering van de verzekering kan krijgen als zijn schip verloren gaat. De kapitein steekt daarom ’s nachts (opzettelijk) zijn schip in brand om de verzekeringsuitkering te innen. Hij weet dat zijn bemanning zich op dat moment onderdeks bevindt en dat zij niet meer kunnen ontsnappen. De kapitein wil niet dat zijn bemanning overlijdt. Zijn doel is het verkrijgen van geld. Hij weet echter zeker dat door het in brand steken van het schip de bemanning zal omkomen.

Slide 25 - Tekstslide

Voorwaardelijk opzet
“Ik wilde het gevolg niet, maar ik wist dat er een aanmerkelijke kans was dat het gevolg zou gebeuren en ik heb die kans aanvaard.”
Of simpel gezegd: “Ik wist dat er een kans was dat het fout kon gaan, maar ik deed het toch.” 

Voorbeeld: ECLI:NL:GHARL:2023:10468, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-003327-23




Slide 26 - Tekstslide

Schuld
In Nederland kennen we schuld in enge zin en schuld in ruime zin. 

Schuld in ruime zin = Schuld als verwijtbaarheid. Het valt iemand toe te rekenen omdat we het hem/haar kunnen verwijten.

Schuld in enge zin = Schuld als het in de delictsomschrijving staat. Bijvoorbeeld: Dood door schuld, art. 307 Sr. Schuld moet dan expliciet bewezen worden. 

Slide 27 - Tekstslide

Even het grootte plaatje

Slide 28 - Tekstslide

De verdachte weet dat er een risico is en accepteert dat dit risico werkelijkheid kan worden.
De verdachte ziet het risico, maar denkt dat het wel goed zal aflopen.
De verdachte denkt niet na over mogelijke gevolgen, terwijl hij dat wel had moeten doen.
De verdachte wil dat het strafbare gevolg intreedt.
Opzet
Schuld

Slide 29 - Sleepvraag

Bewuste schuld
De verdachte ziet het risico, maar onderschat het en vertrouwt erop dat het goed zal gaan.
“Ik wist dat het fout kon gaan, maar ik dacht dat het niet zou gebeuren.”
Voorbeeld:
Iemand rijdt veel te hard door een woonwijk. Hij weet dat dit gevaarlijk is, maar denkt: “Het is laat, er loopt toch niemand.” Vervolgens rijdt de verdachte iemand aan. De verdachte heeft het risico gezien, maar is er te lichtvaardig/te makkelijk vanuit gegaan dat het risico wel meevalt.

Slide 30 - Tekstslide

Onbewuste Schuld
De verdachte ziet het risico niet, maar had dit wel moeten zien.
“Ik heb er niet bij stilgestaan, maar dat had ik wel moeten doen.”
Voorbeeld:
Iemand rijdt met versleten banden in de regen, zonder te controleren of dit gevaarlijk is. Vervolgens maakt de verdachte een ongeluk. 
De verdachte heeft het risico niet gezien, maar het valt hem wel te verwijten. De verdachte is namelijk verantwoordelijk. 

Slide 31 - Tekstslide

Opdracht: Het Porsche-arrest
Zoek het volgende arrest op, op rechtspraak.nl
ECLI:NL:HR:1996:ZD0139, voorheen LJN ZD0139, Hoge Raad, 102.826
Lees rechtsoverweging 5 en beantwoord de volgende vragen:

  • Is hier sprake van opzet of schuld?
  • Waarom is er wel/geen sprake van opzet?
  • Wat valt je verder nog op?
  • Wat vind jij van de uitspraak van de rechter?

Slide 32 - Tekstslide