In deze les zitten 15 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 2 videos.
Lesduur is: 30 min
Onderdelen in deze les
Slide 1 - Tekstslide
Deze slide heeft geen instructies
Ben je creatief?
Hell yeah!
Ik ben best crea bea
Medium (mwoah)
Creatief? Ik? No way!
Slide 2 - Poll
Deze slide heeft geen instructies
Slide 3 - Video
Deze slide heeft geen instructies
KETTINGREACTIE
Slide 4 - Tekstslide
Introductie-oefening op onderwerp creatief denken
Vraag één leerling een woord te noemen (alles mag). Zijn linker buurman/vrouw noemt het eerste woord wat hem/haar te binnen schiet als hij/zij aan dat woord denkt. Zo wordt er elke keer opnieuw een associatie gemaakt met het voorgaande woord.
Let op dat het tempo hoog blijft
Een voorbeeld uitgaande van ‘boek’: boek – letter – A – Eiffeltoren –
Franse kaas.
Bespreek na op:
- Hoe ging het? Voor wie makkelijk/voor wie moeilijk?
- Hoe snel durfde je te reageren? Echt je eerste ingeving?
- Doel opdracht: introductie op onderwerp creatief denken/omdenken
ASSOCIËREN
helpt ons om vaste denkpatronen te doorbreken, de oogkleppen af te zetten en nieuwe mogelijkheden te ontdekken.
Slide 5 - Tekstslide
Introductie-oefening op onderwerp creatief denken
Vraag één student een woord te noemen (alles mag). Zijn linker buurman/vrouw noemt het eerste woord wat hem/haar te binnen schiet als hij/zij aan dat woord denkt. Zo wordt er elke keer opnieuw associatie gemaakt het voorgaande woord.
Let op dat het tempo hoog blijft
associatie bedacht op de voorgaande.
Een voorbeeld uitgaande van ‘boek’: boek – letter – A – Eiffeltoren –
Franse kaas.
Bespreek na op:
- Hoe ging het? Voor wie makkelijk/voor wie moeilijk?
- Hoe snel durfde je te reageren? Echt je eerste ingeving?
- Doel opdracht: introductie op onderwerp creatief denken/omdenken
CREATIEF DENKEN
Iedereen kan creatieve vaardigheden ontdekken, aanleren en ontwikkelen.
Vaardig worden in creatief denken kun je vergelijken met het opbouwen van je lichamelijke conditie door regelmatig te bewegen.
Hoe vaker je creatieve vaardigheden beoefend, hoe beter en meer flexibel je ‘creatieve denkconditie’ wordt.
Slide 6 - Tekstslide
Deze slide heeft geen instructies
Hoe is het met jouw creatieve denkconditie gesteld?
Slide 7 - Tekstslide
Deze slide heeft geen instructies
Slide 8 - Tekstslide
Zie je de heks en de jonge dame?
Slide 9 - Tekstslide
Draait de danseres linksom of rechtsom?
Kun je haar beide kanten op laten draaien?
Slide 10 - Video
Kijk het filmpje
Wie ziet de gorilla?
Hoe kun je je blind staren op iets..
open blik houden
MAAR WAT HEB JE ER AAN?
Wanneer je Creatieve vaardigheden hebt, kun je beter/flexibeler omgaan met veranderende omstandigheden; problemen oplossen, kansen zien en benutten.
Door de coronacrisis zijn onze omstandigheden enorm veranderd. Herinner jij je een situatie waarin je creatief bent omgesprongen met deze veranderingen?
Met welk stukje in jouw leven kun jij nu wel een beetje creativiteit (dus een andere manier van denken) gebruiken?
Slide 11 - Tekstslide
wat heb jij aan creatief denken?
Voorwaarden bij creatief denken
Oordeel uitstellen (alle ideeën zijn welkom);
Ga voor kwantiteit;
Lift mee op de ideeën van anderen;
Zoek wilde, ongewone ideeën;
En neem een creatieve pauze.
Slide 12 - Tekstslide
Oordeel uitstellen: alle ideeën zijn welkom. Oordeel dus niet meteen over de ideeën.
Ga voor kwantiteit: je wilt zoveel mogelijk ideeën verzamelen. Blijf doorgaan met bedenken, ook als je al veel bruikbare ideeën hebt. De eerste ideeën zijn vaak de meest voor de hand liggende en dus het saaist.
Lift mee op de ideeën van anderen: de ideeën van een ander kunnen jou weer op nieuwe ideeën brengen.
Zoek wilde, ongewone ideeën: alleen dan ontstaan er nieuwe verbindingen en écht innovatieve ideeën.
Neem een creatieve pauze: de beste ideeën ontstaan tijdens het wandelen, onder de douche of op feestjes. Mijn ideeën ontstaan vaak in de nacht vlak voor het slapen.
VOORWERPENRACE
Slide 13 - Tekstslide
Nodig de deelnemers uit om te gaan staan. Deel de groep op in maximaal 3 teams. Leg uit:
Jullie krijgen zo een alledaags gebruiksvoorwerp. Je krijgt 5 minuten de tijd om met je groep zoveel mogelijk ‘nieuwe’ gebruikswijzen voor het voorwerp te verzinnen. Na het overleg laat elk groepje om de beurt zien hoe het voorwerp naar jullie inziens een andere gebruikswijze krijgt. De docent(en) is de jury en beslist of iets wel/niet klopt. Het team wat de meeste gebruikswijzen voor het voorwerp verzint, wint!