In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.
Lesduur is: 30 min
Onderdelen in deze les
wat gaan we doen:
zelf aan de slag
korte uitleg
zelf aan de slag
timer
10:00
Slide 1 - Tekstslide
wat gaan we doen:
Maak opdrachtjes op papier
timer
10:00
Slide 2 - Tekstslide
wat gaan we doen:
lezen paragraaf 4.1
timer
10:00
Slide 3 - Tekstslide
Welkom!
Kom binnen, ga rustig zitten en ga aan de slag met de opdrachten uit de studiewijzer.
- Eerst 5 minuten in stilte zonder vragen te stellen, (rode timer)
- Daarna nog 5 minuten waarin je mag overleggen en vragen kunt stellen (groene timer)
timer
10:00
timer
5:00
Slide 4 - Tekstslide
Welkom
Benodigheden
- pen/potlood
- werkboek
Wat gaan we doen?
- planning
- uitleg
- aan de slag
Slide 5 - Tekstslide
planning
hoofdstuk 2
hoofdstuk 3
hoofdstuk 4
hoofdstuk 5
hoofdstuk 6
hoofdstuk 7
hoofdstuk 8
Slide 6 - Tekstslide
planning
hoofdstuk 2
hoofdstuk 3
hoofdstuk 4
hoofdstuk 5
hoofdstuk 6
hoofdstuk 7
hoofdstuk 8
Slide 7 - Tekstslide
Stroomkringen
Na deze les kan je uitleggen:
hoe je een gesloten stroomkring maakt.
wat het verschil is tussen geleiders en isolatoren.
een aantal geleiders en isolatoren noemen.
n op welke manier je de stroomsterkte meet.
beschrijven wat een elektrische stroom is.
Slide 8 - Tekstslide
Stroomkringen
In de vorige les hebben we het gehad over stroom
Wat stroom nu eigenlijk is
Slide 9 - Tekstslide
Slide 10 - Video
Wat is stroom:
A
Een lading positronen
B
Het bewegen van elektronen
C
Het maken van warmte
D
Het veroorzaken van ruis
Slide 11 - Quizvraag
Stroomkringen
In de vorige les hebben we het gehad over stroom
Stroom is dus eigenlijk het rondgaan van elektronen. Deze elektronen hebben wat energie bij zich.
Op het moment dat ze bij een apparaat komen wordt die energie door het apparaat gebruikt
De elektronen gaan verder om weer van nieuwe energie te worden voorzien.
Dus van begin tot eindpunt gaan er elektronen: een STROOMKRING
Slide 12 - Tekstslide
Stroomkringen
In de vorige les hebben we het gehad over stroom
Stroom is dus eigenlijk het rondgaan van vrachtwagens. Deze vrachtwagens hebben wat energie bij zich.
Op het moment dat ze bij een apparaat komen wordt die energie door het apparaat gebruikt
De vrachtwagens gaan verder om weer van nieuwe energie te worden voorzien.
Dus van begin tot eindpunt gaan er elektronen: een STROOMKRING
Slide 13 - Tekstslide
Stroomkringen
de STROOMKRING:
Die bestaat dus uit stoffen waar elektronen (makkelijk) door heen kunnen gaan.
Dit soort stoffen noemt men geleiders.
Stoffen waar elektronen maar heel moeilijk doorheen kunnen gaan (of helemaal niet) noemt men isolatoren
Slide 14 - Tekstslide
Bij de trein gebruikt men koperdraad om de trein van stroom te voorzien. Dit koperdraad noemt men dan ook een
A
geleider
B
isolator
C
een kunststof
Slide 15 - Quizvraag
Een stekker is van kunststof omdat het
A
een geleider is
B
een isolator is
C
een stroomkring is
D
sterk is
Slide 16 - Quizvraag
Stroomkringen
Koper draad en ander metalen zijn goede geleiders (stof eigenschap van metalen) elektronen van metalen kunnen gemakkelijk van deeltje naar deeltje springen
Kunststof, rubber en gassen zijn goede isolatoren (omdat de elektronen moeilijk van deeltje naar deeltje kunnen gaan)
Een gesloten stroomkring bestaat dus uit een gesloten kring van geleiders
Een schakelaar kan van een gesloten kringen een open kring maken en anders om.
Als een schakelaar open staat zit er lucht (gas) tussen de aansluitpunten.
Slide 17 - Tekstslide
Stroomkringen
Je kan ook het aantal elektronen dat door een geleider raced meten, dat doe je met een stroommeter
Men heeft afgesproken om de hoeveelheid elektronen die door een geleider gaat in Ampère uit te drukken: De stroomsterkte wordt dus uitgedrukt in een aantal Ampère.
Slide 18 - Tekstslide
Stroomkringen
Je kan ook het aantal vrachtwagens dat door een geleider rijdt meten, dat doe je met een stroommeter
Men heeft afgesproken om het Aantal vrachtwagens die door een geleider gaat in Ampère uit te drukken: Dit heet de stroomsterkte
De stroomsterkte wordt dus uitgedrukt in een aantal Ampère.
Slide 19 - Tekstslide
proefje
pak per 2-tal 1 werkboek op blz 175
Slide 20 - Tekstslide
proefje
maak proef 1 + 2 op blz
175 t/m 177
Slide 21 - Tekstslide
aan de slag!
maak opdracht 1 t/m 12 van §4.1 op blz 208
rood = geluid 0 (iedereen is stil)
oranje = geluid 0-1 (docent beantwoord vragen)
groen =geluid 1 (Je mag zachtjes overleggen met buren)
timer
15:00
timer
5:00
Slide 22 - Tekstslide
kahoot
Slide 23 - Tekstslide
Stroomkringen
Omdat je de stroom wilt meten moet je een ampèremeter altijd in een stroomkring opnemen
Omdat je in bijvoorbeeld auto's moeilijk de ampèremeter
in de stroom kan opnemen is de z.g. ampèretang
ontwikkeld. Deze werk op een ander principe,
maar geeft ook de stroomsterkte van elektronen
in een geleider aan
Slide 24 - Tekstslide
Een Ampère meter meet
A
Hoe snel elektronen er per seconde door een geleider gaan
B
Hoeveel elektronen er per seconde door een geleider gaan
C
Hoe groot de elektronen zijn die door een geleider gaan
Slide 25 - Quizvraag
Om de stroomsterkte kunnen meten moet de meter worden opgenomen in een
A
open stroomkring
B
gesloten schakelaar
C
isolator
D
gesloten stroomkring
Slide 26 - Quizvraag
20 mA =
A
0,002 A
B
0,02 A
C
0,2 A
D
2 A
Slide 27 - Quizvraag
0, 635 A =
A
6,35 mA
B
63,5 mA
C
635 mA
D
6350 mA
Slide 28 - Quizvraag
Een Ampère meter meet
A
Hoe snel elektronen er per seconde door een geleider gaan
B
Hoeveel elektronen er per seconde door een geleider gaan
C
Hoe groot de elektronen zijn die door een geleider gaan
Slide 29 - Quizvraag
Spanningsbronnen
Om elektronen door een draad heen te "pompen" is er een pomp nodig die er druk op zet.
Een dergelijk pomp wordt ook wel een spanningsbron genoemd
Door ergens voldoende spanning op te zetten komt iets in beweging
Als je voldoende spanning op een lampje zet komen voldoende elektronen in beweging om het lampje van energie te voorzien om warm te worden en licht te kunnen geven
Slide 30 - Tekstslide
Spanningsbronnen
Voorbeelden van spanningsbronnen zijn:
je kan je voorstellen dat je met een
batterij geen auto kan starten
Dus spanningsbronnen komen voor
in verschillende vormen en sterktes
Als je laptop of chromebook direct op een
stop contact zet brand het door
Slide 31 - Tekstslide
Spanningsbronnen
Om een apparaat te laten werken moet het van de juiste spanningsbron worden voorzien
Daarnaast kan men de spanning van de bron meten
Dat doet men met een voltmeter of spanningsmeter, ook hier analoog (links) of digitaal (rechts)
Om dat je het verschil meet tussen de plus en de min kan van een spanningsbron noemt men dit ook wel een paralelle meting
Slide 32 - Tekstslide
Spanningsbronnen
Om dat je het verschil meet tussen de plus en de min kant van een spanningsbron of apparaat noemt men dit ook wel een paralelle meting.
Slide 33 - Tekstslide
Spanningsbronnen
Spannings bronnen leveren dus spanning (druk) om elektronen rond te pompen.
Bekende spanningsbronnen zijn het stopcontact, dse accu, een dynamo en de batterij
Als je spanningsbronnen op de juiste manier is serie (na elkaar, plus aan de min) schakelt mag je de spanningen bij elkaar optellen.
dus 2 accu's van 12 V geven de werking als 1 accu van 24 V
Slide 34 - Tekstslide
Twee batterijen van 1,5 V worden correct in serie geschakeld. Wat is de spanning van die schakeling
A
0 A
B
1,5 V
C
3 V
D
3 A
Slide 35 - Quizvraag
6 batterijen van 1,5 V worden op de juiste manier in serie geschakeld. dit levert een spanning op van:
A
0 V
B
1,5 V
C
4,5 V
D
9 V
Slide 36 - Quizvraag
Spanningsbronnen
Een blokbatterij bestaat dan ook
uit 6 staafbatterijtjes van 1,5 V
Een platte batterij bestaat dan ook uit 3 staafbatterijtjes van 1,5 V en dit levert samen 4,5 V
Slide 37 - Tekstslide
45 mV =
A
45 V
B
4,5 V
C
0,45 V
D
0,045 V
Slide 38 - Quizvraag
0,188 V =
A
1,88 mV
B
18,8 mV
C
188 mV
D
1880 mV
Slide 39 - Quizvraag
Stroomkringen en Spanningsbronnen
Kan je nu uitleggen
Wat stroom is
Wat een gesloten stroomkring is
Wat geleiders zijn
Wat isolatoren zijn
Wat stroomsterkte is
Wat je met een schakelaar kan doen
Wat een spanningsbron doet
Slide 40 - Tekstslide
Stroomkringen en Spanningsbronnen
Slide 41 - Tekstslide
aan de slag!
Zie studiewijzer wat je kunt gaan doen.
rood = geluid 0 (iedereen is stil)
oranje = geluid 0-1 (docent beantwoord vragen)
groen =geluid 1 (Je mag zachtjes overleggen met buren)
timer
15:00
timer
5:00
Slide 42 - Tekstslide
aan de slag!
afmaken opdracht 1 t/m 12 van §4.1
klaar? maken opdracht 1 t/m 10 van §4.2
rood = geluid 0 (iedereen is stil)
oranje = geluid 0-1 (docent beantwoord vragen)
groen =geluid 1 (Je mag zachtjes overleggen met buren)