Les 6 - Consumentenonderzoek

Les 6 - Consumentenonderzoek
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
ConsumentenonderzoekMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Les 6 - Consumentenonderzoek

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Weekplanning
Week 1: Consumentenonderzoek, doelgroep en vraagstelling
Week 2: Afname avn een consumentenonderzoek
Week 3: Verwerken van een consumentenonderzoek
Week 4: Consumentenonderzoek - organoleptische keuring
Week 5: Marketingmix
Week 6: Betrouwbaarheid van resultaten

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beoordeling consumentenonderzoek

Gedurende de gehele periode worden drie opdrachten gemaakt, deze worden beoordeeld (onvoldoende, voldoende of goed). 

Deadline 
Consumentenonderzoek 2: vrijdag 23 juni
Consumentenonderzoek 3: vrijdag 30 juni

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Jij:
  • Kunt beschrijven wat het verschil is tussen een kwalitatief en kwantitatief onderzoek; 
  • Jij kunt uitleggen waar de kwaliteit van een onderzoek van afhankelijk is;
  • Jij kunt de betrouwbaarheid van een onderzoek bepalen; 
  • Jij kunt de validiteit van een onderzoek bepalen. 

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesplanning
  • Kwalitatief vs kwantitatief onderzoek
  • Betrouwbaarheid
  • Validiteit 

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het woord 'betrouwbaarheid'?

Slide 6 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Tijdens het verwerken van mijn consumentenonderzoek heb ik gelet op de betrouwbaarheid van de resultaten.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kwantitatief onderzoek

  • Gebaseerd op feiten
  • Vaak uitgedrukt in cijfers


Van deze data kunnen grafieken en tabellen gemaakt worden. 

Kwalitatief onderzoek

  • Zijn vaak beschrijvingen van interpretaties, ervaringen en betekenissen.
  • Vaak uitgedrukt in woorden

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk onderzoek is het meest betrouwbaar?
A
Kwantitatief onderzoek
B
Kwalitatief onderzoek

Slide 9 - Quizvraag

Bij kwantitatief onderzoek staan de vragen en de antwoordmogelijkheden vast. Respondenten moeten bijvoorbeeld kiezen uit de antwoordopties ‘mee eens’ en ‘niet mee eens’. Onderzoekers kunnen die antwoorden maar op één manier interpreteren.
Dat is heel anders bij kwalitatief onderzoek. Daarbij staan de vragen (meestal) niet vast en mogen respondenten antwoorden zoals zij zelf willen. De onderzoeker speelt een actievere rol, hij ondervraagt de respondenten en analyseert de antwoorden na afloop. Maar één antwoord in kwalitatief onderzoek kun je natuurlijk op verschillende manieren interpreteren.
Kortom, kwalitatief onderzoek is in de regel subjectiever dan kwantitatief onderzoek. Dit betekent niet dat kwalitatief onderzoek onbetrouwbaar is.
Kwaliteit van het onderzoek


Afhankelijk van: 
  • Betrouwbaarheid;
  • Validiteit.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Betrouwbaarheid
  • Wordt er elke keer hetzelfde gemeten? 
Het is van belang dat de uitkomsten hetzelfde zijn als de meting of het gehele onderzoek op exact dezelfde wijze nog een keer wordt uitgevoerd. 

Voorbeeld: 
Ook al is de weegschaal verkeerd afgesteld; als een pak suiker met een constant gewicht twee keer achter elkaar op de weegschaal wordt geplaatst, zou de weegschaal twee keer hetzelfde gewicht moeten laten zien. Anders is de weegschaal niet betrouwbaar.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Validiteit
  • Wordt er daadwerkelijk gemeten wat je wilt meten? 
  • Kloppen de resultaten van het onderzoek met de werkelijkheid? 

Voorbeeld: 
Je kunt het gewicht meten van een pak suiker met een weegschaal (het instrument), maar als de weegschaal verkeerd is afgesteld dan is het resultaat van de weging niet juist en dus niet valide.



Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Casus 1
Een student wil weten hoe lekker het broodje is dat hij heeft geproduceerd. Hij benadert daarom op een drukke zaterdagmiddag in een supermarkt een aantal respondenten met de vraag of ze het broodje willen proeven en of het lekker is. De vraag leidt elke keer tot volgende antwoord: "Ja, het is wel lekker."

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het onderzoek uit casus 1 is:
A
Betrouwbaar en valide
B
Betrouwbaar maar niet valide
C
Niet valide en niet betrouwbaar
D
Wel valide maar niet betrouwbaar

Slide 15 - Quizvraag

De respondenten hebben slechts sociaal wenselijke antwoorden gegeven toen hun op de man af werd gevraagd of zij het broodje lekker vonden. De kans is groot dat de enquête, wanneer ze werd herhaald, opnieuw tot dezelfde resultaten zou leiden; in die zin is het een betrouwbaar instrument. Maar het onderzoek is niet valide, omdat het geen antwoord geeft op de gestelde onderzoeksvraag.
Casus 2
Tijdens het practicum vlees wordt droge worst gemaakt. De studenten meten van de droge worst het gewicht voor het drogen. Er wordt gebruik gemaakt van vijf oude weegschalen, die een afwijking hebben tot 1,0 kilogram gemiddeld. 

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het onderzoek uit casus 2 is:
A
Betrouwbaar en valide
B
Betrouwbaar maar niet valide
C
Niet valide en niet betrouwbaar
D
Wel valide maar niet betrouwbaar

Slide 17 - Quizvraag

De respondenten hebben slechts sociaal wenselijke antwoorden gegeven toen hun op de man af werd gevraagd of zij het broodje lekker vonden. De kans is groot dat de enquête, wanneer ze werd herhaald, opnieuw tot dezelfde resultaten zou leiden; in die zin is het een betrouwbaar instrument. Maar het onderzoek is niet valide, omdat het geen antwoord geeft op de gestelde onderzoeksvraag.
Opdracht
  • Bekijk de resultaten uit consumentenonderzoek 3;
  • Stel vast of jij een kwalitatief of kwantitatief onderzoek hebt uitgevoerd;
  • Schrijf een analyse over jouw betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek. Voeg deze analyse toe aan je nawoord van het verslag. 

Vragen die je jezelf kunt stellen: 
Betrouwbaarheid: "Is elk resultaat op dezelfde manier gemeten?"
Validiteit: "Wordt er daadwerkelijk gemeten wat ik wil meten? Kloppen de resultaten met de werkelijkheid?"

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Jij:
  • Kunt beschrijven wat het verschil is tussen een kwalitatief en kwantitatief onderzoek; 
  • Jij kunt uitleggen waar de kwaliteit van een onderzoek van afhankelijk is;
  • Jij kunt de betrouwbaarheid van een onderzoek bepalen; 
  • Jij kunt de validiteit van een onderzoek bepalen. 

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies