Oefenen Hoofdstuk 5

Domein A
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 5,6

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Domein A

Slide 1 - Tekstslide

Variabelen
Afhankelijke & onafhankelijke variabelen
Interveniërende variabelen

Slide 2 - Tekstslide

Variabelen
Variabelen (kenmerken) = de eigenschappen van de objecten die de onderzoeker in het bijzonder interesseren en die van elkaar kunnen verschillen.

Wat is de invloed van leeftijd op de kans op een hartproblemen?

>>> Wat zijn hier de variabelen?

Slide 3 - Tekstslide

Afhankelijke variabele
Deze variabele is altijd afhankelijk van (wordt beïnvloed door) een andere variabele en staat daarmee rechts in het conceptueel model.

De uitkomst of de waarde die een afhankelijke variabele inneemt, wordt bepaalt door de onafhankelijke variabele.


Slide 4 - Tekstslide

Onafhankelijke variabele
Deze variabele is geheel onafhankelijk van andere variabelen en staat daarmee links in het conceptueel model.

De waarde van de onafhankelijke variabele kan verschillen (denk aan leeftijd) en is niet afhankelijk van andere variabelen.

De onafhankelijke variabele bepaalt de uitkomst van de afhankelijke variabele.


Slide 5 - Tekstslide

Interveniërende variabele
Dit is een variabele die het verband tussen de onafhankelijke en afhankelijke variabele ook beïnvloedt, maar die niet wordt gemeten. 

Het is van belang om bij het trekken van conclusies rekening te houden met andere variabelen die een rol zouden kunnen spelen. Er zou namelijk geconcludeerd kunnen worden dat er een verband bestaat tussen twee variabelen, terwijl dit feitelijk niet zo is.

Vaak veronderstelt men dat een hoger opleidingsniveau leidt tot een hoger inkomen. Er is hier ook sprake van een positieve correlatie. Maar onderzoek wees uit, dat we iets over het hoofd zagen. Het beroep was doorslaggevend voor het inkomen, niet per se het opleidingsniveau.
>>> Er sprake is van een vals verband, want wat kan invloed hebben?

Slide 6 - Tekstslide

Wat is de afhankelijke variabele in deze onderzoeksvraag?:
In hoeverre hebben pissebedden de voorkeur voor een lichte of donkere omgeving?
A
Pissebedden
B
De hoeveelheid licht
C
Daar waar de pissebedden zitten

Slide 7 - Quizvraag

Welke 2 beweringen zijn juist?
A
Een onafhankelijke variabele wordt gekozen
B
Een onafhankelijke variabele wordt gemeten
C
Een afhankelijke variabele wordt gekozen
D
Een afhankelijke variabele wordt gemeten

Slide 8 - Quizvraag

Wat is de afhankelijke/onafhankelijke variabele?

Wat is het effect van sporten op de gezondheid van jongeren?

Slide 9 - Open vraag

Wat is de afhankelijke/onafhankelijke variabele?

In hoeverre wordt criminaliteit veroorzaakt door te weinig controle in de opvoeding?

Slide 10 - Open vraag

Wat is de afhankelijke/onafhankelijke variabele?

Wat is het verband tussen opleidingsniveau en kiesgedrag?

Slide 11 - Open vraag

Oefenen
We willen onderzoek doen naar wat voor effect de aanwezigheid tijdens de lessen heeft op de hoogte van het cijfer wat je haalt op een toets.

Verzin een hypothese hierbij.

Slide 12 - Tekstslide

Validiteit en betrouwbaarheid
Betrouwbaarheid
  • Nauwkeurigheid (voorkomen van onnodige fouten)
  • Herhaalbaarheid (krijg ik dezelfde resultaten, als ik het later nog een keer onderzoek)

Als je vraagt wie de beste spits uit de Eredivisie is aan alleen PSV-supporters, dan krijg je geen betrouwbaar antwoord.


Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Eisen aan onderzoek 
1. Betrouwbaar
2. Valide
3. Representatief

Slide 15 - Tekstslide

Betrouwbaarheid
Betrouwbaarheid gaat enerzijds over de nauwkeurigheid van het onderzoek: berusten de resultaten niet op toeval. En anderzijds over de herhaalbaarheid van het onderzoek.
>> Is het onderzoek vrij van willekeurige meetfouten?
>> Levert herhaling van het onderzoek hetzelfde resultaat op? (

bv. een test om IQ van persoon te meten

2x IQ test bij een persoon - resultaat is 2x 120 = betrouwbaar

2x IQ test bij een persoon - resultaat is 105 en 140 = niet betrouwbaar

Slide 16 - Tekstslide

Validiteit
Validiteit gaat over of je als onderzoeker meet wat je wilt meten.

bv. 
crimineel gedrag onder hangjongeren meten> Wat versta je dan onder criminaliteit?
 
Thermometer die niet de juiste temperatuur meet is niet valide


Slide 17 - Tekstslide

Representativiteit
Representativiteit gaat erover of een steekproef een dwarsdoorsnede is van de totale onderzoeksgroep.

bv. heb je iedereen gesproken om betrouwbare antwoorden te kunnen geven




Slide 18 - Tekstslide

Je wilt iemands gewicht meten, maar de weegschaal staat niet goed afgesteld
A
Betrouwbaarheid
B
Validiteit
C
Representativiteit

Slide 19 - Quizvraag

Je wilt iemands gewicht meten door hem op te tillen.
A
Betrouwbaarheid
B
Validiteit
C
Representativiteit

Slide 20 - Quizvraag

Je wilt weten wie de beste spits van de eredivisie is en kijkt alleen naar wie de meeste goals heeft gescoord.
A
Betrouwbaarheid
B
Validiteit
C
Representativiteit

Slide 21 - Quizvraag

Je wilt weten wie de beste spits van de eredivisie is en vraagt dat alleen aan PSV-supporters.
A
Betrouwbaarheid
B
Validiteit
C
Representativiteit

Slide 22 - Quizvraag

Je wilt onderzoek doen naar hoeveel mensen de krant lezen en vraagt hoe vaak mensen het nieuws volgen.
A
Betrouwbaarheid
B
Validiteit
C
Representativiteit

Slide 23 - Quizvraag

Je wilt onderzoek doen naar hoeveel mensen in Nederland de krant lezen en vraagt dit alleen aan jongeren.
A
Betrouwbaarheid
B
Validiteit
C
Representativiteit

Slide 24 - Quizvraag

Je wilt onderzoek doen naar hoeveel mensen in Nederland de krant lezen en vraagt dit tijdens de zomervakantie
A
Betrouwbaarheid
B
Validiteit
C
Representativiteit

Slide 25 - Quizvraag

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide