Hoofdstuk 5 Elektrische apparaten

Hoofdstuk 5
Elektrische apparaten
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nask / TechniekMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 37 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 5
Elektrische apparaten

Slide 1 - Tekstslide

Paragraaf 5.2
Elektrische energie

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen:
Aan het eind van dit hoofdstuk kan je:
  • uitleggen waarin een apparaat elektrische energie omzet;
  • beschrijven wat een energielabel aangeeft;
  • uitleggen wat het vermogen van een apparaat is en ermee rekenen;
  • uitleggen waarvan het energiegebruik van een apparaat afhangt;

Slide 3 - Tekstslide

Energie omzetten
Elektrische apparaten zetten elektrische energie om in andere energiesoorten.

Voorbeelden:
lamp → licht en warmte
stofzuiger → beweging, geluid en warmte

Slide 4 - Tekstslide

Energie verlies
Bij elke energieomzetting gaat energie verloren, dit is meestal warmte.
Voorbeelden:
  • warme telefoonbatterij
  • warmte van een stofzuiger

Zuinig apparaat -> weinig energieverlies.

Slide 5 - Tekstslide

Energielabel
Een energielabel laat zien hoe zuinig een apparaat is.
A+++ = zeer zuinig
A = zuinig
G = onzuinig

Zuinigere apparaten gebruiken minder stroom en geven minder warmteverlies.

Slide 6 - Tekstslide

Vermogen
Hoeveel energie een apparaat per seconde gebruikt.
symbool: P
eenheid: watt (W)
1 watt = 1 joule per seconde

Voorbeelden:
lamp: 11 W
oven: 2,5 kW = 2500 W

Slide 7 - Tekstslide

Energie berekenen
De formule voor elektrische energie is:

E = P × t

Hierbij geldt:
E = energie (J)
P = vermogen (W)
t = tijd (s)

Slide 8 - Tekstslide

Rendement:
Rendement laat zien hoeveel energie nuttig gebruikt wordt.

Formule:
η = nuttige energie / toegevoerde energie × 100%

Hoe hoger het rendement, hoe zuiniger het apparaat.

Slide 9 - Tekstslide

Huiswerk
Lees en maak:
Paragraaf 5.2 Blok C en D

Slide 10 - Tekstslide

Paragraaf 5.3
Spanning en stroomsterkte

Slide 11 - Tekstslide

Leerdoelen
Aan het einde van deze paragraaf kan je:
• uitleggen waaruit elektrische stroom bestaat en wat de rol van een spanningsbron is;
• rekenen met vermogen, spanning en stroomsterkte;
• uitleggen hoe je een voltmeter en een ampèremeter aansluit;
• een elektrisch schema tekenen;

Slide 12 - Tekstslide

Gesloten stroomkring
Een apparaat werkt alleen met een spanningsbron en een gesloten stroomkring.

Elektronen vervoeren energie naar het apparaat.

De stroom loopt terug naar de spanningsbron.

Slide 13 - Tekstslide

Gesloten stroomkring
Een apparaat werkt alleen met een spanningsbron en een gesloten stroomkring.

Elektronen vervoeren energie naar het apparaat.

De stroom loopt terug naar de spanningsbron.

Slide 14 - Tekstslide

Stroomsterkte
Symbool: I
Eenheid: ampère (A)

  • Kan je meten met een ampèremeter.
  • Ampèremeter plaats je in de stroomkring.

Slide 15 - Tekstslide

Spanning
Symbool: U
Eenheid: volt (V)

  • Oorzaak van elektrische stroom.
  • Gemeten met een voltmeter.

Slide 16 - Tekstslide

Spanningsbron
Batterij, accu, dynamo, generator.

Zetten andere energie om in elektrische energie.

Batterij levert gelijkspanning, generator wisselspanning.

Slide 17 - Tekstslide

Elektrisch schema
Schematisch overzicht van een elektrische schakeling.

  • Draden = lijnen.
  • Onderdelen = symbolen.

Slide 18 - Tekstslide

Elektrisch vermogen
Hoeveel energie per seconde wordt gebruikt.
Eenheid: watt (W).

Meer spanning of stroom = meer vermogen.

Slide 19 - Tekstslide

Huiswerk
Lees en maak:
Paragraaf 5.3 blok C en D

Slide 20 - Tekstslide

Paragraaf 5.4
Weerstand

Slide 21 - Tekstslide

Leerdoelen:
Aan het eind van de les kan ik:
  • rekenen met de wet van Ohm;
  • uitleggen wat weerstand is en welke invloed de lengte, dikte en temperatuur van een metaaldraad hierop heeft (HAVO);

Slide 22 - Tekstslide

Weerstand
Weerstand houdt elektrische stroom tegen.
Symbool: R
Eenheid: ohm (Ω)
Hoge weerstand → weinig stroom
Lage weerstand → veel stroom

Slide 23 - Tekstslide

Invloed weerstand
Langere draad → meer weerstand
Kortere draad → minder weerstand
Dunnere draad → meer weerstand
Dikkere draad → minder weerstand
Hogere temperatuur → meer weerstand

Slide 24 - Tekstslide

Formule
Formule:
U=I×R

U = spanning (V)
I = stroomsterkte (A)
R = weerstand (Ω)

Slide 25 - Tekstslide

Voorbeeld
Gegeven:
U = 12 V
R = 6 Ω

Bereken I:
I=R/U ​= 6/12 =2A

Antwoord: 2 A

Slide 26 - Tekstslide

Huiswerk:
Lees en maak:
Paragraaf 5.4, blok C en D

Slide 27 - Tekstslide

Paragraaf 5.5
Elektrische schakelingen

Slide 28 - Tekstslide

Leerdoelen:
Aan het eind van de paragraaf kan ik:

  • op twee manieren elektrische apparaten schakelen: parallel of in serie;
  • beschrijven wat geldt voor de spanning, stroomsterkte en weerstand in een parallelschakeling;
  • beschrijven wat geldt voor de spanning, stroomsterkte en weerstand in een serieschakeling;
  • uitleggen hoe batterijen worden geschakeld;
  • rekenen aan parellelschakelingen en serieschakelingen. (HAVO)

Slide 29 - Tekstslide

Serieschakeling
  • Apparaten staan achter elkaar.
  • Er is maar één stroomkring.
  • De stroomsterkte is overal gelijk.
  • De spanning wordt verdeeld over de apparaten.
  • Gaat één lampje kapot? Dan valt alles uit.

Slide 30 - Tekstslide

Parallelschakeling
  • Apparaten staan naast elkaar.
  • Elke tak heeft een eigen stroomkring.
  • Over elk apparaat staat dezelfde spanning.
  • De totale stroom is de som van de deelstromen.
  • Apparaten werken onafhankelijk van elkaar.

Slide 31 - Tekstslide

Serieschakeling 

  • Lampjes achter elkaar 
  • Spanning verdeeld 
  • Stroom overal gelijk 
  • Eén defect = alles uit 
Parallelschakeling

  • Lampjes naast elkaar
  • Spanning gelijk
  • Stroom splitst zich
  • Andere apparaten blijven werken

Slide 32 - Tekstslide

Combinatieschakelingen
  • Bevat zowel serie- als parallelschakelingen.
  • Een deel van de stroom loopt door één apparaat.
  • Een ander deel splitst zich over meerdere takken.
  • Komt veel voor in praktische schakelingen.

Slide 33 - Tekstslide

Rekenen aan een serieschakeling
Regels:
Itotaal​=I1​=I2​=I3​=...
Ubron​=U1​+U2​+U3​+...
Rtotaal​=R1​+R2​+R3+...

Wet van Ohm:
U=I×R

Slide 34 - Tekstslide

Rekenen aan een parallelschakeling
Regels:
Ubron​=U1​=U2​=U3=....
Itotaal=I1+I2+I3+...
 ​
Voorbeeld
Drie apparaten van 2 A:
Itotaal = 2 + 2 + 2 = 6A

Slide 35 - Tekstslide

Wetenschappelijke notatie
Grote getallen kort schrijven:
400 000 = 4 × 10⁵
6 400 000 = 6,4 × 10⁶
300 000 000 = 3 × 10⁸

Voordeel:
Minder nullen schrijven.
Handig voor natuurkundige berekeningen.

Slide 36 - Tekstslide

Huiswerk
Lees en maak:
Paragraaf 5.5, blok C en D (VMBO-T mag de rekenvragen skippen)

Slide 37 - Tekstslide