4.4 - Vermogen en energie

Starttaak:





1. Kijk het huiswerk van paragraaf 3 na (via bestanden Teams).
2. Lees paragraaf 4.4
3. Maak rekenen 'eenheden omrekenen' blz 154
timer
7:00
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 2

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Starttaak:





1. Kijk het huiswerk van paragraaf 3 na (via bestanden Teams).
2. Lees paragraaf 4.4
3. Maak rekenen 'eenheden omrekenen' blz 154
timer
7:00

Slide 1 - Tekstslide

Cijfer practicumtoets
Gemiddelde van dit cijfer & cijfer onderzoek = cijfer op Magister





Onderzoek krijg je na gesprekje inleiding.

Slide 2 - Tekstslide

Wat voor soort schakeling is dit?
A
Serieschakeling
B
Parallelschakeling
C
Gemengde schakeling

Slide 3 - Quizvraag

Welke twee lampjes staan parallel aan elkaar?
A
Lampje 1 en 2
B
Lampje 1 en 3
C
Lampje 2 en 3
D
Lampje 1, 2 en 3

Slide 4 - Quizvraag

De batterij levert 9 V, hoeveel volt krijgt lampje 1
A
3 V
B
4,5 V
C
6V
D
9 V

Slide 5 - Quizvraag

Spanning is een grootheid. Wat is de eenheid van spanning?
A
U
B
V
C
u
D
A

Slide 6 - Quizvraag

Wat voor soort schakeling is dit?
A
Serie
B
Parallel
C
Gemengde schakeling

Slide 7 - Quizvraag

Waar hoort de stroommeter om de stroom door lampje 1 te meten?
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 8 - Quizvraag

Waar moet je een schakelaar plaatsen als je alleen lampje A aan en uit zou willen zetten met een schakelaar?
A
1 of 6
B
2 of 5
C
3
D
4

Slide 9 - Quizvraag

Waar moet je een schakelaar plaatsen als je lampje A en B aan en uit zou willen zetten met een schakelaar?
A
1 of 6
B
2 of 5
C
3
D
4

Slide 10 - Quizvraag

4.4 - Vermogen en energie
Pak je schrift en een pen.

Maak aantekeningen.

Slide 11 - Tekstslide

Vermogen
Een apparaat met een KLEIN vermogen, gebruikt per 
seconde weinig energie. 


Maar een apparaat met een GROOT vermogen, gebruikt 
per seconde veel energie.

Slide 12 - Tekstslide

Vermogen
Het vermogen geeft aan hoeveel elektrische energie een apparaat per seconde verbruikt.

Het vermogen hangt af van: de spanning
Hoe meer Volt (V), hoe groter het vermogen.

Het vermogen hangt óók af van: de stroomsterkte
Hoe meer Ampère (A), hoe groter het vermogen.
                          

Slide 13 - Tekstslide

Grootheid
Symbool
Eenheid
Afkorting
Stroomsterkte
I
Ampère
A
Spanning
U
Volt
V
Vermogen
P
Watt
W
TL:          Vermogen = spanning * stroomsterkte
Havo:     P = U * I

Slide 14 - Tekstslide

Vermogen
  • De eenheid van vermogen is Watt (W).
  • Vaak staat het vermogen op de verpakking van een apparaat. 

Slide 15 - Tekstslide

Wat is vermogen
van deze lamp?

Slide 16 - Open vraag

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

voorbeeld berekening
Een led lampje werkt op een spanning van 6 volt en een stroomsterkte van 0,5 A. 
Bereken het vermogen van dit led lampje. 
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
Spanning = 6 V   Stroomsterkte = 0,5 A
Vermogen in W?
 Vermogen = spanning * stroomsterkte
Vermogen = 6 * 0,5 = 3 W
Het vermogen is 3 W

Slide 19 - Tekstslide


Deze oven is aangesloten op de netspanning van 230 V en gebruikt een stroomsterkte van 8,7 A.
Bereken het vermogen (met het stappenplan).

Slide 20 - Open vraag

voorbeeld berekening
Deze oven is aangesloten op de netspanning van 230 V en gebruikt een stroomsterkte van 8,7 A.
Bereken het vermogen van de oven.
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
Spanning = 230 V   Stroomsterkte = 8,7 A
Vermogen in W?
 Vermogen = spanning * stroomsterkte
Vermogen = 230 * 8,7 = 2001 W
Het vermogen is 2001 W

Slide 21 - Tekstslide


Deze terrasheater is aangesloten op de  netspanning van 230 V en heeft een stroomsterkte van van 10,8 A. Bereken het vermogen.

Slide 22 - Open vraag

voorbeeld berekening
Deze terrasheater is aangesloten op de netspanning van 230 V en heeft een stroomsterkte van van 10,8 A. 
Bereken het vermogen van de terrasheater.
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
Spanning = 230 V   Stroomsterkte = 10,8 A
Vermogen in W?
 Vermogen = spanning * stroomsterkte
Vermogen = 230 * 10,8 = 2484 W
Het vermogen is 2484 W

Slide 23 - Tekstslide


Deze lamp werkt op 9V. De stroomsterkte is 200 mA. 
Bereken het vermogen.

Slide 24 - Open vraag

voorbeeld berekening
Deze lamp werkt op 9V. De stroomsterkte is 200 mA.
Bereken het vermogen van de lamp.
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
Spanning = 9 V   Stroomsterkte = 200 mA
Vermogen in W?
 Vermogen = spanning * stroomsterkte
200 mA = 0,2 A (:1000)
Vermogen = 9 * 0,2 = 1,8 W
Het vermogen is 1,8 W

Slide 25 - Tekstslide

Op de verpakking van een lampje staat: 12 V / 0,5 A.
Wat is het vermogen?
A
24W
B
12W
C
6W
D
60W

Slide 26 - Quizvraag

Juist/onjuist:
Apparaten met een klein vermogen zijn energiezuiniger dan apparaten met een groot vermogen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 27 - Quizvraag

Aan de slag!
Noteer huiswerk in je agenda

Maak in deze volgorde:
  • Rekenen (blz 154 + 155)
  • §4.4: opdracht 1 t/m 9 (in je schrift)
  • Nakijken rekenen + §4.4
  • §4.4: Test jezelf (online)
  • Werkbladenboekje maken + nakijken (via Teams)
  • Oefenen voor de toets
Huiswerk woensdag 18 maart:
  • Rekenen (blz. 154+155)
  • §4.4: opdracht 1 t/m 9 (in je schrift)
  • §4.4: Test jezelf (online)

timer
1:00

Slide 28 - Tekstslide

Wat heb je vandaag geleerd?

Slide 29 - Woordweb