Present Simple en Present Continuous
Present Simple en Present Continuous
Open met het verschil tussen 'gewoonte' en 'nu bezig'. Dat is de centrale lijn van de les.
Lesdoel
Ik kan uitleggen wanneer ik de present simple en de present continuous gebruik en ik kan beide tijden correct maken in verschillende soorten zinnen.
Deze slide heeft geen instructies
Present Simple: gebruik
De present simple gebruik je voor dingen die vaak, altijd of meestal gebeuren.
gewoontes: I walk to school.
feiten: Water boils at 100°C.
vaste situaties: She lives in Utrecht.
roosters of vaste tijden: The lesson starts at nine.
Benadruk signaalwoorden zoals always, often, usually, sometimes, never, every day.
Present Simple: vorm
Basisvorm:
I/you/we/they + werkwoord
he/she/it + werkwoord + s
Voorbeelden:
I play football.
They work hard.
He plays football.
She works hard.
Wijs op de extra -s bij he/she/it. Dat is vaak de grootste fout.
Present Simple: ontkennend en vragend
Met do / does maak je ontkennende en vragende zinnen.
ontkennend: I do not (don't) play.
ontkennend: He does not (doesn't) play.
vraag: Do you play?
vraag: Does she play?
Let op: na does komt het werkwoord zonder -s.
Laat leerlingen het verschil zien tussen 'She plays' en 'Does she play?'
Present Simple: voorbeelden
I get up at seven every day.
My brother likes pizza.
We do not watch TV in class.
Does your teacher speak English?
Koppel elk voorbeeld aan een functie: gewoonte, feit, ontkenning, vraag.
Welke zin staat in de present simple?
She plays tennis.
She is playing.
Is she playing?
She is not playing.
Controleert de vorm van de present simple. De afleiders komen uit de present continuous-vormen die net nog niet aan bod waren.
Vul de juiste vormen in
Tom walks to school every day. His sister doesn't like early mornings. Does their teacher speak English in class? They don't watch TV at school.
Alle zinnen sluiten aan op voorbeelden uit de slides: every day, does, don't en speak English. Let op: na does geen -s.
Present Continuous: gebruik
De present continuous gebruik je voor iets dat nu bezig is of tijdelijk is.
nu op dit moment: I am reading now.
tijdelijk: She is staying with her aunt this week.
verandering of ontwikkeling: The weather is getting colder.
Benadruk het woord 'nu' en tijdelijke situaties. Vergelijk kort met routines uit de present simple.
Present Continuous: vorm
Basisvorm:
I am + werkwoord + ing
you/we/they are + werkwoord + ing
he/she/it is + werkwoord + ing
Voorbeelden:
I am doing my homework.
They are playing outside.
He is watching TV.
Noem eventueel de korte vormen: I'm, you're, he's.
Present Continuous: ontkennend en vragend
Met am / is / are maak je ontkennende en vragende zinnen.
ontkennend: I am not sleeping.
ontkennend: They are not working.
vraag: Are you listening?
vraag: Is she coming?
Laat zien dat het hulpwerkwoord vooraan komt in de vraag.
Present Continuous: voorbeelden
I am wearing a blue shirt today.
We are learning English now.
He is not using his phone.
Are they waiting outside?
Leg uit dat 'today' en 'now' vaak goed passen bij de present continuous.
Welke zin is een goede vraag in de present continuous?
Do they waiting?
Are they waiting?
They are waiting?
Is they waiting?
Toetst de vraagvorm met are + onderwerp + werkwoord-ing.
Vul de juiste vormen in
I am writing an email at the moment. We are not sitting outside now. Is she coming this week? He is not using his phone now.
Laat leerlingen letten op at the moment, now en this week. Dat zijn signalen voor present continuous.
De tijden naast elkaar
Present Continuous
nu bezig
tijdelijk
op dit moment
ontwikkeling
She is walking to school now.
Present Simple
gewoonte
vaak of altijd
feit
vaste situatie
She walks to school every day.
Dit is de kernvergelijking van de les. Gebruik de voorbeelden hardop naast elkaar.
Kies de juiste tijd
My father works in a hospital every day. Listen! The baby is crying now. We usually eat at six o'clock, but I am doing my English exercise at the moment.
Hier komen beide tijden samen. Bespreek steeds eerst de betekenis: gewoonte of nu bezig.
Kies de juiste vorm: 'Look! The dog ___ in the garden.'
run
is running
runs
running
Deze slide heeft geen instructies
Kies de juiste vorm: 'My brother usually ___ breakfast at 7 o’clock.'
is eating
eat
eats
eating
Deze slide heeft geen instructies
Kies de juiste vorm: 'We ___ a film at the moment.'
watches
watch
are watching
watching
Deze slide heeft geen instructies
Vul in: She ___ to school every day. (go)
Deze slide heeft geen instructies
Vul in: Look! They ___ football now. (play)
Deze slide heeft geen instructies
Vul in: I ___ my homework at the moment. (do)
Deze slide heeft geen instructies
Open your book on page 50 and do exercises 29, 30 and 31.
Finished? Study vocabulary on page 72.
Deze slide heeft geen instructies