Hoofdstuk 04 - Naar het werk

Hoofdstuk 4 - Naar het werk
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 4 - Naar het werk

Slide 1 - Tekstslide

Hoofdstuk 3 - Naar school

Slide 2 - Tekstslide

Het is maandag. 
Paul is thuis. 
Hij moet naar zijn werk. 
Hij werkt in de kantine van een school. 
Hij maakt koffie en thee voor de cursisten. 
Het werk is leuk. 

Slide 3 - Tekstslide

Paul gaat naar zijn werk.
Zijn werk is ...

Slide 4 - Woordweb

Schrijf de dagen van de week

Slide 5 - Open vraag

Waar is Paul?
A
Op school
B
Op zijn werk
C
In de kantine
D
Thuis

Slide 6 - Quizvraag

Wat doet Paul op zijn werk?
A
Hij maakt schoon
B
Hij maakt koffie en thee

Slide 7 - Quizvraag

Welke zin is waar?
A
Paul werkt in de kantine.
B
Paul is een cursist.
C
Paul is docent op een school.

Slide 8 - Quizvraag

Paul werkt in de kantine. Waar zie je de kantine?
A
B
C

Slide 9 - Quizvraag

Paul is een cursist.
A
waar
B
niet waar

Slide 10 - Quizvraag

Paul vindt zijn werk leuk.
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quizvraag

Eerst drinkt Paul rustig een kopje thee. 
Thee met heel veel suiker. 
Dat is lekker!
Paul pakt zijn jas. Hij loopt naar buiten.
Hé, wat is dat? 
Paul gaat weer naar binnen.
O! Hij is zijn bril vergeten. 

Slide 12 - Tekstslide

Welke zin is waar?
A
Paul drinkt snel zijn thee.
B
Paul drinkt rustig zijn thee.

Slide 13 - Quizvraag

Paul drinkt niet snel, maar ...

Slide 14 - Woordweb

Paul doet niet weinig suiker in zijn thee, maar ...

Slide 15 - Woordweb

Paul doet suiker in zijn thee.

Hij vindt het ...

Slide 16 - Woordweb

Welke zin is waar?
A
Paul drinkt rustig thee.
B
Paul drinkt geen thee.
C
Paul drinkt snel thee.

Slide 17 - Quizvraag

Wat vindt Paul lekker?
A
Thee zonder suiker.
B
Thee met weinig suiker.
C
Thee met veel suiker.

Slide 18 - Quizvraag

Welke zin is waar?
A
Paul drinkt koffie met melk.
B
Paul drinkt thee met veel suiker.
C
Paul drinkt thee zonder suiker.

Slide 19 - Quizvraag

Paul is buiten.
Hij gaat ... naar binnen.

Slide 20 - Woordweb

Paul vergeet zijn jas.
A
waar
B
niet waar

Slide 21 - Quizvraag

Paul is iets vergeten.
Wat is Paul vergeten?

Slide 22 - Open vraag

Paul zoekt en zoekt, maar hij ziet zijn bril niet. 
Wat ben ik toch dom, denkt hij. 
Paul doet de deur dicht en pakt zijn fiets. 
Hij gaat zonder bril naar zijn werk. 

Slide 23 - Tekstslide

Welke zin is waar?
A
Paul zoekt zijn thee.
B
Paul zoekt zijn fiets.
C
Paul zoekt zijn bril.

Slide 24 - Quizvraag

Paul zoekt zijn bril.
A
waar
B
niet waar

Slide 25 - Quizvraag

Paul vindt zijn bril in huis.
A
waar
B
niet waar

Slide 26 - Quizvraag

Hoe gaat Paul naar zijn werk?
A
Hij loopt
B
Hij fietst
C
Hij gaat met de bus

Slide 27 - Quizvraag

Welke zin is waar?
A
Paul gaat zonder jas naar zijn werk.
B
Paul gaat zonder bril naar zijn werk.
C
Paul gaat zonder fiets naar zijn werk.

Slide 28 - Quizvraag

Paul is slim
A
waar
B
niet waar

Slide 29 - Quizvraag

Paul denkt: Ik ben dom.
A
waar
B
niet waar

Slide 30 - Quizvraag

1.
2.
3.
4.
Paul gaat naar zijn werk.
Paul drinkt thee
Paul pakt zijn jas.
Paul zoekt zijn bril.

Slide 31 - Sleepvraag

De bril van Paul
Het werk van Paul
De fiets van Paul
drinken
kijken
lopen

Slide 32 - Sleepvraag