In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Onderdelen in deze les
H4.1 Stofeigenschappen
Slide 1 - Tekstslide
Doel: Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen een mengsel en een zuivere stof.
Slide 2 - Tekstslide
Zuivere stoffen en mengsels
Een zuivere stof bestaat uit één soort moleculen (1 stof)
Een mengsel bestaat uit meerdere soorten moleculen (meerdere stoffen)
Slide 3 - Tekstslide
zuivere stof: smelt- en kookpunt
Slide 4 - Tekstslide
Zuiveren
moleculen aan het sorteren.
Alle moleculen van dezelfde soort bij elkaar sorteren
gebruik van scheidingsmethodes
Voorbeeld
Het zuiveren van suiker. Suikerbieten die in de fabriek worden verwerkt, bestaan voor ongeveer 20% uit suiker. Stap voor stap wordt de suiker gescheiden van de andere stoffen. Uiteindelijk blijven er dan witte kristallen over die voor meer dan 99% uit suiker bestaan.
Afbeelding 12
Een mengsel van 3 stoffen
Afbeelding 13
3 zuivere stoffen
Slide 5 - Tekstslide
Zuivere stof
Suiker
Meel
Zout
Goud
Diamant
Mengsels
Cola
Koffie
Deo
Zeep
Crème
Slide 6 - Tekstslide
Was dit een mengsel of zuivere stof?
A
mengsel
B
zuiver
Slide 7 - Quizvraag
Wat is een zuivere stof?
A
een stof die bestaat uit een ingrediënt
B
een heldere stof
C
een schone stof
D
een stof zonder schadelijke stoffen
Slide 8 - Quizvraag
Wat is een voorbeeld van een zuivere stof?
A
koffie
B
limonade
C
water
D
cola
Slide 9 - Quizvraag
mengsel of zuivere stof?
A
mengsel
B
zuivere stof
Slide 10 - Quizvraag
Wat is de definitie van een mengsel? Een mengsel...
A
bestaat uit een soort moleculen.
B
bestaat uit meerdere soorten moleculen.
C
bestaat uit meerdere moleculen.
Slide 11 - Quizvraag
Is lucht een zuivere stof?
A
Ja
B
Nee
Slide 12 - Quizvraag
Alcohol is een zuivere stof en water is een zuivere stof. Als je ze bij elkaar doet krijg je ...
A
een mengsel
B
NIX18
C
een zuivere stof
D
goud
Slide 13 - Quizvraag
Scheiden van mengsels
Het scheiden van mengsels in zuivere stoffen
Bezinken
Filtreren
Indampen
Destilleren
Extraheren
Adsorberen
Slide 14 - Tekstslide
Filtreren
Scheidingsmethode: Filtreren
Stofeigenschap: Deeltjesgrootte
Soort mengsel: Suspensie
Slide 15 - Tekstslide
Indampen
Scheidingsmethode: Indampen
Stofeigenschap: Kookpunt
Soorten mengsels: Oplossingen
Slide 16 - Tekstslide
Wat doen we bij scheiden
A
moleculen kapot maken
B
moleculen uit elkaar halen
C
moleculen sorteren
Slide 17 - Quizvraag
Wat is geen voorbeeld van filtreren
A
Thee zetten
B
Koffie maken
C
Pasta afgieten
D
Het tegenhouden van gif in een gasmasker
Slide 18 - Quizvraag
Bij filtreren scheid je op basis van
A
deeltjesgrootte
B
massa
C
oplosbaarheid
D
dichtheid
Slide 19 - Quizvraag
Welk mengsel zou je kunnen filtreren?
A
Suiker uit limonade halen
B
Vruchtvlees uit fruitsap halen
C
Kleur uit thee halen
D
Alcohol uit wijn halen
Slide 20 - Quizvraag
Bij filtreren zit het filtraat:
A
In het filter
B
In het mengsel
C
In het opvangvat onder het filter
Slide 21 - Quizvraag
Wat is het filtraat als je koffiezet met een koffiezetapparaat?
A
De gemalen koffie die je uit een pak en in het filter schept
B
Het hete water dat op de gemalen koffie druppelt
C
De pas gezeten koffie die in de kan zit onder het filter
D
Het koffiedik dat in het filter achterblijft
Slide 22 - Quizvraag
Bij het theezetten werkt je theezakje als filter. Wat is het filtraat?
A
De thee
B
Het theezakje
C
De theeblaadjes in het theezakje
Slide 23 - Quizvraag
Waar zit het residu?
A
In het glas wat leeg is
B
In het filter
C
Is door het filter gegaan
D
Residu bestaat niet
Slide 24 - Quizvraag
Wat is het residu bij het zetten van koffie?
A
de koffie in de beker
B
het water
C
het filter
D
de koffiedrap
Slide 25 - Quizvraag
Ik heb een suspensie van thee met theebladjes. Ik ga dit filtreren. Wat is het residu?
A
Thee
B
Theeblaadjes
C
Theeblaadjes en kleurstof
D
Water
Slide 26 - Quizvraag
Wat is het doel van filtreren?
A
Moleculen sorteren
B
Een mengsel van een vaste stof en vloeistof scheiden
C
Stoffen zuiveren
D
Het oplosmiddel verdampt. De opgeloste stof blijft over
Slide 27 - Quizvraag
Je kunt een oplossing indampen.
Als je een oplossing indampt:
A
houd je de oplossing over
B
laat je de opgeloste stof verdampen.
C
houd je het oplosmiddel over.
D
laat je het oplosmiddel verdampen.
Slide 28 - Quizvraag
Wat is het doel van indampen?
A
De vloeistof gaat door het filter. De vaste stof blijft over
B
Moleculen sorteren
C
Stoffen zuiveren
D
Opgeloste stof uit een oplossing scheiden
Slide 29 - Quizvraag
Als je zout wil winnen uit zeewater kan je het indampen. Wat gebeurt er bij indampen?
A
Het zout verdampt.
B
Het zout kookt weg uit het mengsel.
C
Het water en het zout verdampen allebei.
D
Het water verdampt en het zout blijft over.
Slide 30 - Quizvraag
Doel: Je kan 5 stofeigenschappen noemen en daarmee stoffen van elkaar onderscheiden.
Slide 31 - Tekstslide
Wel stofeigenschappen:
Brandbaarheid
Geur
Kleur
Smaak
Fase (bij kamertemp.)
Kookpunt
Smeltpunt
Oplosbaarheid in water
Elektrische geleiding
Dichtheid
Geen stofeigenschappen:
Temperatuur
Vorm
Massa
Volume
Slide 32 - Tekstslide
Welke van de onderstaande begrippen is een stofeigenschap
A
Massa
B
Temperatuur
C
Oplosbaarheid
D
Vorm
Slide 33 - Quizvraag
Wat is een stofeigenschappen van Dreft?
A
De reclame op tv
B
Het logo
C
De herkenbare fles
D
De frisse geur
Slide 34 - Quizvraag
Wat zijn geen stofeigenschappen?
A
Magnetisme, brandbaarheid en giftigheid
B
Volume, massa en vorm
C
Kleur, geur en smaak
D
Dichtheid, kookpunt en smeltpunt
Slide 35 - Quizvraag
Stofeigenschappen zijn:
A
geur, kleur, massa
B
fase, geur, kleur
C
kookpunt, smaak,
kleur
D
fase, geur, smaak
Slide 36 - Quizvraag
Metalen hebben een aantal stofeigenschappen gemeen. Enkele andere stofeigenschappen verschillen.
Welke stofeigenschappen hebben alle metalen hetzelfde?
A
Smeltpunt, kleur en dichtheid
B
Geleiden goed elektriciteit, kookpunt en buigbaarheid
C
Glimmend oppervlak, geleiden goed warmte en slecht bestand tegen bijtende stoffen
D
Geen van deze antwoorden is juist
Slide 37 - Quizvraag
Wat zijn stofeigenschappen?
A
Kleur, geur, brandbaarheid, vierkant
B
Geur, kleur, brandbaarheid, hardheid
C
Brandbaarheid, hardheid, rondheid
D
Hardheid, kleur, geur, doorzichtigheid
Slide 38 - Quizvraag
Wat zijn stofeigenschappen?
A
Daarmee bepaal je de dichtheid van een stof
B
Dat gaat over de eigenaar van een stof
C
Daaraan kun je een stof herkennen
D
Hoe goed een stofzuiger kan zuigen
Slide 39 - Quizvraag
Vragen over de les?
Slide 40 - Tekstslide
Aan de slag!
Lees hoofdstuk 4.1 en maak opgaven: 1 t/m 9 op blz. 190 t/m 194. Hulp: Nova boek / Docent