Gedichten - herhaling, metrum, ritme en les 68

Wat is een gedicht?

Daar is geen makkelijk antwoord op, maar...

Alle gedichten samen,
de korte en de lange,
de droevige en de grappige,
de rijmende en de niet-rijmende,
de makkelijke en de absoluut onbegrijpelijke
- die allemaal samen noemen we poëzie.
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Wat is een gedicht?

Daar is geen makkelijk antwoord op, maar...

Alle gedichten samen,
de korte en de lange,
de droevige en de grappige,
de rijmende en de niet-rijmende,
de makkelijke en de absoluut onbegrijpelijke
- die allemaal samen noemen we poëzie.

Slide 1 - Tekstslide

Een gedicht is een andere manier om
een verhaal te vertellen. Je moet zelf 
meer bedenken dan bij een gewoon 
verhaal

In gedichten wordt gespeeld met: 


  1. vorm
  2. taal
  3. inhoud

Slide 2 - Tekstslide

1. Vorm

In een gedicht zijn de regels (vaak) kort,
en ze breken
'zomaar'
af.
De zinnen beginnen steeds op een nieuwe regel.
Er staat veel     wit     om de zinnen heen.

In een verhaal lopen de zinnen keurig door tot de rand van de bladzijde, en dan gaan ze een regel lager weer door.

Slide 3 - Tekstslide

2. Taal

Bij poëzie is taal heel belangrijk. Een dichter zoekt vaak heel lang naar precies het goede woord, of precies de goede volgorde van de woorden in een zin.

Natuurlijk is het niet zo dat een prozaschrijver (schrijver van verhalen) maar wat aanrommelt met zijn woorden, maar hij zal toch vooral letten op het verhaal dat hij vertelt, en iets minder op hóé hij het vertelt.

Slide 4 - Tekstslide

3. Inhoud

Een gedicht gaat over andere dingen dan een verhaal.

In een verhaal heb je een begin, een midden en een eind.
In een gedicht heb je alleen het gedicht.

In een gedicht:
  • verwoordt de dichter een gevoel/emotie of gedachte
  • laat een dichter je op een andere manier naar iets kijken,   zodat jij er over nadenkt.
Een goed gedicht zet de hele wereld even stil.


Slide 5 - Tekstslide

Hoog in het blauw
vliegt een roofvogel rond.
Kromsnavel ziet
elke spriet
op de grond.

Laag in het groen
knaagt een knijn aan een knop.
Knijn is zo dom!
Kijkt niet om -
kijkt niet op...
Dan wordt groen zwart,
zwart wordt rood, rood weer groen.
Haartjes, een veer...
Nee, niks meer
aan te doen.

Hans Kuyper

Slide 6 - Tekstslide

Wat is er met het konijn gebeurd?

Slide 7 - Open vraag

Op een zonnige dag in de zomer zat een konijn aan een lekker groen blaadje te knabbelen. Het smaakte hem zó goed, dat hij er helemaal niet meer op lette wat er boven hem gebeurde. En dat was niet erg slim, want hoog in de lucht draaide een havik zijn rondjes. Voordat het konijn er erg in had, dook de vogel op hem! Er gleed een donkere schaduw over het gras en twee scherpe klauwen boorden zich in de schouders van het 
zielige dier. Een paar druppels bloed vielen naar beneden, maar die verdwenen snel in de droge grond. Alleen aan de plukjes haar en de vogelveer die achterbleven, kon je nog zien dat er iets vreselijks gebeurd was.

Slide 8 - Tekstslide

Welke vorm spreekt jou het meeste aan?
het gedicht over het konijn
het verhaal over het konijn

Slide 9 - Poll

In gedichten is de klank en het ritme heel belangrijk en een dichter kan rijm gebruiken. Zeker als je een gedicht hardop voorleest, valt de klank of het rijm je eerder op.

Een dichter vertelt veel met weinig woorden. Daardoor heb je vaak meer tijd nodig, voordat je een gedicht begrijpt.

Een gedicht bestaat uit versregels die samen een strofe vormen. Je kunt een strofe vergelijken met een alinea: elke strofe heeft zijn eigen deelonderwerp.


Slide 10 - Tekstslide

Hans Andreus

Slide 11 - Tekstslide

Uit hoeveel strofen bestaat het gedicht ‘Je bent zo anders’?
A
14
B
5
C
4
D
1

Slide 12 - Quizvraag

Slide 13 - Video

O sjo’n mond vol apparaten
isj een sjware sjtvaf voor mij,
ik ga sjlisjen bij het pvaten
en ik sjpuug er ook nog bij.

En mijn moed sjinkt in mijn sjchoenen,
want het isj sjo’n sjtom gevoel,
en wie sjal me sjo nog sjoenen
met sjulk sjtaaldraad in mijn sjmoel.

Sjtangen die te sjtevig sjitten,
daarvan sjlaap ik sjteeds sjo sjlecht,
sjie ik als ik sjlaap gebitten,
sjchoon en sjterk en sjuperrecht.






En dan sjchveeuwen sjtemmen: Sjtakker,
wat een sjcheve rommelsjooi
en dan sjchvik ik sjwetend wakker.

Maar ik word sjo mooi, sjo mooi!

Joke van Leeuwen




Beugelsj

Slide 14 - Tekstslide

Waarmee speelt de dichter vooral in het gedicht 'Beugelsj'?
A
vorm
B
taal
C
inhoud

Slide 15 - Quizvraag

vol zakje chips

krrr krrr krrr krrr krrr
krrr krrr krrr krrr
krrr krrr krrr
krrr krrr
krrr

leeg zakje chips

Nicky van Tuinen (groep 5)






Zakje chips

Slide 16 - Tekstslide

Waarmee speelt de dichter vooral in het gedicht 'Zakje chips'?
A
vorm
B
taal
C
inhoud

Slide 17 - Quizvraag

Ik had drie beestjes,
drie beestjes van steen.
Een vogeltje.
Een veulentje.
Een varkentje.

Ze zijn gevallen.
Ze braken stuk.
Ik heb ze gelijmd.
't Is bijna gelukt.







Ik heb drie beestjes,
drie beestjes van steen.
Een volentje.
Een veukentje.
Een vargeltje.

Joke van Leeuwen




Lijmen

Slide 18 - Tekstslide

Waarmee speelt de dichter vooral in het gedicht 'Lijmen'?
A
vorm
B
taal
C
inhoud

Slide 19 - Quizvraag

Ikhe bverve lendeog en
Zez ien watz enie tmogen
Deene keermi n10 de,
and erekeer weermi n4
Jewor dter ge kvan
Neta lsd ewo orde nop ditpa pier

Lisanne van der Kaaden (groep 8)






Deo gen

Slide 20 - Tekstslide

Waarmee speelt de dichter vooral in het gedicht 'Deo gen'?
A
vorm
B
taal
C
inhoud

Slide 21 - Quizvraag

Ik zat naast Sam.
Maar nu niet meer;
want Sam is dood.
Al ongeveer
een dag of tien.
Iets meer misschien -
die dinsdag was de laatste keer.

Hij kwam te laat,
zoals wel meer.
Toen ging hij dood.
De laatste keer dat ik hem zag
was ongeveer
een dag daarvoor, misschien iets meer.






Te laat
Nu zit ik naast de leegste
lege stoel die er bestaat.
Hij komt niet meer terug.
Niet meer.
Hij komt nooit meer
te laat.

Bette Westera






Slide 22 - Tekstslide

Waarmee speelt de dichter vooral in het gedicht 'Te laat'?
A
vorm
B
taal
C
inhoud

Slide 23 - Quizvraag

Welk gevoel roept het gedicht 'Te laat' bij je op?

Slide 24 - Open vraag

"Nu zit ik naast de leegste
lege stoel die er bestaat."

Wat bedoelt de dichter hiermee?

Slide 25 - Open vraag

"Hij komt nooit meer
te laat."

Waarom laat de dichter de zin doorlopen op dezelfde regel?

Slide 26 - Open vraag

Zijn eerste moeder heeft hij nooit gekend.
Ze heette Joyce, ze was opeens verdwenen.
En toen hij net aan Anja was gewend
werd papa weer verliefd. Toen kwam Irene.

Nu woont zijn vader met Chantal,
en hij dus ook. Nu gaan ze overleggen
hoe hij zijn nieuwe moeder noemen zal.
Hij zou zo graag eens mama willen zeggen...

Bette Westera






Mama

Slide 27 - Tekstslide

Waarmee speelt de dichter vooral in het gedicht 'Mama?
A
vorm
B
taal
C
inhoud

Slide 28 - Quizvraag

Welk gevoel roept het gedicht 'Mama' bij je op?

Slide 29 - Open vraag

"Nu woont zijn vader met Chantal,
en hij dus ook. Nu gaan ze overleggen
hoe hij zijn nieuwe moeder noemen zal.
Hij zou zo graag eens mama willen zeggen..."

Wat bedoelt de dichter met de laatste zin?

Slide 30 - Open vraag

waarmee vul jij het gedicht aan:

Sint zat te denken...
A
waarvan jij jou moest verdenken
B
wat hij jou moest schenken
C
maar hij kon niets bedenken
D
wat hij jou in vredesnaam dit jaar moest schenken

Slide 31 - Quizvraag

En eigenlijk is alles wat ik wil...
kikkerdril
een keer op zoek naar kikkerdril
zoeken naar kikkerdril
jouw kikkerdril
buiten met jou op zoek naar kikkerdril

Slide 32 - Poll

niet alleen rijm is belangrijk
  • Ook de lengte van woorden
  • De lengte van zinnen
  • De klemtonen in woorden
  • Je vindt een ritme, dat heet ook wel CADANS of METRUM
  • Hoor je het beste als je het hardop zegt
  • Denk ook aan liedjes  

Slide 33 - Tekstslide

Opdracht
  • maak tweetallen als je dat wil
  • in de opdrachten van teams staat de opdracht 'piet de smeerpoets'
  • je maakt zelf/samen een gedicht in die stijl
  • minstens 8 regels
  • met eindrijm (en rijmschema benoemen)
  • Inleveren: cijfer telt 1 keer mee - uiterlijk 12 februari

Slide 34 - Tekstslide

Wat heb je deze les geleerd?

Slide 35 - Tekstslide

Gedichten
Poëzie
Verhalen
Proza
gedichten
versjes
rijm
spelen met taal
verhalen
stripboek
zinnen lopen door tot het einde van de bladzijde
meer aandacht voor het verhaal dan voor hóé het geschreven is

Slide 36 - Sleepvraag

In alle gedichten zit rijm.
A
B

Slide 37 - Quizvraag

In een gedicht kan een dichter spelen met vorm en taal.
A
B

Slide 38 - Quizvraag

Bij een gedicht is het altijd meteen duidelijk waar het over gaat.
A
B

Slide 39 - Quizvraag

Een gedicht kan je aan het denken zetten.
A
B

Slide 40 - Quizvraag

Lees je weleens gedichten als je ze op straat tegenkomt of als je door je social media scrolt?

Slide 41 - Poll

Wat vond je van deze les?
010

Slide 42 - Poll